Nieuws

Zonneklare overwegingen over beroepsgronden tegen een omgevingsvergunning voor een zonnepark

Nederland moet verduurzamen. Dit kan onder meer met onze zon. Zonnepanelen zien we steeds meer op daken, maar ook op agrarische gronden in het buitengebied. Ook wel zonneparken of zonneakkers genoemd.

Deze zonneparken gaan nog wel eens gepaard met bezwaar en beroep. Vaak tevergeefs. Zo ook in een zaak die zich afspeelde in de gemeente Brummen. In het geding is een omgevingsvergunning (‘grote afwijking’) voor een zonnepark met een oppervlakte van 36 hectare. Hiervoor heeft de gemeenteraad ook een verklaring van geen bedenkingen verleend.

Belanghebbenden

Voordat de rechtbank de inhoudelijke beroepsgronden behandelt, wordt er eerst gekeken of de appellanten (omwonenden) überhaupt wel belanghebbenden zijn. Dit blijkt niet bij iedereen het geval. Omwonenden die op een afstand verder dan (ruim) 600 meter wonen, kunnen van dit zonnepark geen (rechtstreeks) feitelijke gevolgen ondervinden. Geen belanghebbenden dus.

Maar goed, dat geldt dus niet voor iedere appellant. De beroepsgronden worden daarom ook (inhoudelijk) behandeld.

Keuze procedure

Zoals het hoort, geeft de rechtbank eerst netjes aan wat het toetsingskader van de bestreden omgevingsvergunning is, namelijk een ‘goede ruimtelijke ordening’ (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo).

“Het zonnepark is gigantisch! Dat heeft grote gevolgen voor het landschap. Het college van de gemeente Brummen had daarom moeten kiezen voor een bestemmingsplan. En niet voor een omgevingsvergunning (om af te wijken)!” Aldus de boze appellanten.

De rechtbank vindt dit onzin (vrije vertaling). In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo staat immers niet dat deze omgevingsvergunning alleen mag worden verleend voor ontwikkelingen met geringe planologische gevolgen. Wanneer een ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan, mag een initiatiefnemer daarom kiezen tussen een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Welke keuze de initiatiefnemer dan maakt, hebben burgemeester en wethouders te respecteren. Er moet dan gewoon een besluit komen op de aanvraag.

Inhoudelijk is er immers geen verschil tussen die twee besluiten. Allebei kennen ze hetzelfde toetsingskader: een ‘goede ruimtelijke ordening’. En ook voor de omgevingsvergunning geldt de verplichting tot het opstellen van een goede ruimtelijke onderbouwing (artikel 5:20 Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening). Voor een bestemmingsplan hoef je daarom niet meer onderzoek te doen dan bij het verlenen van deze omgevingsvergunning.

Er is overigens nog een derde optie: een gemeentelijke coördinatieregeling (artikel 3.30 – 3.32 Wet ruimtelijke ordening). Een overzichtelijke procedure die voor alle partijen duidelijkheid en tijdswinst kan opleveren.

Welk besluit je ook kiest, vergeet niet dat voor zonneparken de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is. Dit betekent dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer mogen worden aangevoerd. En de bestuursrechter doet binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak (artikel 1.6a en artikel 1.6, lid 4 Chw).

Draagvlak

Terug naar de uitspraak. Een van de andere beroepsgronden is dat er – volgens het gemeentelijk en provinciaal duurzaamheidsbeleid – voor het zonnepark voldoende maatschappelijk draagvlak aanwezig moet zijn. Dit draagvlak is er kennelijk niet bij de omwonenden. Er is niet voor niets beroep aangetekend.

Maar de rechtbank wijst appellanten erop dat er geen enkel wettelijk voorschrift bestaat die voorschrijft dat een project alleen vergund kan worden als daarvoor draagvlak bestaat.
Ook het gemeentelijk of provinciaal beleid vraagt dit niet. Het beleid vraagt aan initiatiefnemers alleen te komen met uitgewerkte initiatieven die draagvlak hebben in de buurt, wijk of dorp. Wanneer er geen draagvlak is bij (een deel van) de omwonenden, dan betekent dat nog niet dat het project niet doorgaat.

Ook wordt het draagvlak breder getrokken tot wijk- en dorpsniveau. Niet alleen de buurt. Bovendien, het feit dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, zegt wel iets over het draagvlak in bredere zin.

Verder blijkt uit het participatieverslag dat omwonenden echt wel betrokken zijn bij de ontwikkeling en dat er naar aanleiding van deze participatie aanpassingen aan het zonnepark hebben plaatsgevonden (lagere zonnepanelen).

Overigens, wanneer het gemeentelijk beleid van een initiatiefnemer een inspanning vraagt die is gericht op het verwerven of vergroten van draagvlak en de initiatiefnemer verzuimt dit, dan mag een college wel weigeren om mee te werken aan zo’n zonnepark (ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4209, r.o. 23.2). Maar dat was in deze zaak niet aan de orde.

De bestreden omgevingsvergunning is daarom niet in strijd met het beleid verleend. Vervolgens is het een kwestie van belangen afwegen (van omwonenden ten opzichte van de algemene belangen). Hierbij spelen ook de volgende feiten een rol: het zonnepark ligt op een afstand van minimaal 100 meter van de woningen, het zonnepark heeft een maximale hoogte van 1,5 meter en het zonnepark wordt netjes landschappelijk ingepast. Daarmee wordt de aantasting van het woon- en leefklimaat zoveel mogelijk beperkt. De rechtbank kan zich daarom vinden in de belangenafweging.

Beleid voor zonneparken

“Maar voor zonneparken is er géén specifiek beleid in deze gemeente. Dan is het besluit toch niet zorgvuldig?”

De rechtbank is snel klaar met deze beroepsgrond. In de Wabo, het Besluit omgevingsrecht en het Besluit ruimtelijke ordening staan regels over hoe deze omgevingsvergunning tot stand komt en waar de inhoud aan moet voldoen. In die regels staat nergens dat je die omgevingsvergunning (om af te wijken van het bestemmingsplan) pas mag verlenen nadat je integraal gemeentelijk beleid of een visie hebt opgesteld. Dat is ook niet noodzakelijk wanneer je de aanleg van een zonnepark met een omgevingsvergunning planologisch mogelijk maakt.

Bron: rechtbank Gelderland, 6 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:692

Frank HabrakenZonneklare overwegingen over beroepsgronden tegen een omgevingsvergunning voor een zonnepark