Nieuws

De gemeentelijke coördinatieregeling is geen verplichting

“Nou, nou! Om het bestemmingsplan en de omgevingsvergunningen voor de windparken onderuit te halen moeten we maar liefst drie vrijwel identieke beroepsprocedures voeren bij twee verschillende rechterlijke instanties! Bij de rechtbank over de omgevingsvergunningen en bij de Raad van State over het bestemmingsplan en het hoger beroep tegen de omgevingsvergunningen. Nergens voor nodig. Op deze manier zijn wij onevenredig benadeeld!

In deze zaak liggen immers een bestemmingsplan en verschillende omgevingsvergunningen op tafel voor dezelfde ontwikkeling. Ook zijn deze besluiten gelijktijdig voorbereid en vrijwel gelijktijdig vastgesteld en verleend. Daar heeft de wetgever toch de gemeentelijke coördinatieregeling voor in het leven geroepen?! Dan moet ie ook worden gebruikt!”
Aldus het betoog van de appellanten.

Tuurlijk, deze coördinatieregeling in de zin van artikel 3.30 Wet ruimtelijke ordening is efficiënt en levert tijdwinst op (proceseconomie). Wanneer je voor dezelfde ontwikkeling niet alleen een bestemmingsplan, maar ook nog een aantal omgevingsvergunningen nodig hebt, dan kun je hiervoor de gemeentelijke coördinatieregeling gebruiken. De betrokken besluiten komen dan in één coördinatiemandje.

Anders dan gebruikelijk is tegen deze gebundelde besluiten beroep mogelijk bij één instantie: de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling behandelt de besluiten als één besluit en de Afdeling moet binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift een uitspraak doen. Hierdoor kan het bevoegde gezag aanzienlijke tijdwinst behalen met de coördinatie van uitvoeringsbesluiten en het bestemmingsplan.

Daarom stelde het college van B&W in deze zaak ook voor om van deze coördinatieregeling gebruik te maken. Maar de gemeenteraad zag dat niet zitten. De raad zag de verdeeldheid die binnen de gemeente ontstond over de nieuwe windparken. De raad vond het daarom wenselijk dat omwonenden zich bij meer dan één rechtelijke instantie over deze nieuwe windparkontwikkelingen binnen de gemeente konden uitlaten.

En die beleidsvrijheid – om al dan niet gebruik te maken van deze gemeentelijke coördinatieregeling – heeft de gemeenteraad ook. Dit wordt ook door de wetgever in de redactie van artikel 3.30 Wro tot uitdrukking gebracht met het woordje ‘kunnen’. Ook uit de wetsgeschiedenis van deze coördinatieregeling blijkt dat er geen sprake is van een verplichting om procedures te bundelen (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, p. 60). Dit heeft de Raad van State (ABRvS 21 maart 2012, nr. 201007818/1/R3) al eerder bepaald en nu dus weer.

Bron: ABRvS 3 april 2019, nr. 201709167/1/R3 en 201807375/1/R3

Frank HabrakenDe gemeentelijke coördinatieregeling is geen verplichting