Nieuws

Zonneparken zijn eenvoudig bestand tegen beroepsgronden over de ‘ladder’

“Vonnissen behoren we uit te voeren, dus dat gaan we ook doen,” zei premier Rutte afgelopen weekend. Hij verwees daarmee naar de uitspraak van het gerechtshof in de Urgenda-zaak, waarin staat dat Nederland in 2020 de CO2-uitstoot met 25 procent verlaagd moet hebben ten opzichte van 1990. Het Planbureau voor de Leefomgeving concludeerde immers afgelopen week dat Nederland die doelen juist niet gaat bereiken.
Rutte erkende echter wel dat het “een ingewikkeld vraagstuk is en een behoorlijke klus. Bij de maatregelen is onder meer draagvlak belangrijk.” Dat blijkt ook wel. De praktijk is weerbarstig. Windturbineparken en zonneparken worden vrijwel nooit zonder slag of stoot gerealiseerd. Dit gaat vaak gepaard met weerstand.

Torpederen
Natuurlijk. Omwonenden staan volledig in hun recht om beroep aan te tekenen tegen die plannen of vergunningen. Het aantal initiatieven hieromtrent neemt toe en daarmee ook de jurisprudentie hierover. Daaruit blijkt echter dat het nog niet zo eenvoudig is om besluiten over windturbineparken en zonneparken te torpederen.
Zo werd afgelopen week een omgevingsvergunning voor een zonnepark onherroepelijk, toen de Raad van State alle beroepsgronden van tafel veegde. Dat gold ook voor de beroepsgrond over de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Een ‘populaire’ beroepsgrond en vaak voer voor discussie.
In 2016 was al door onze hoogste bestuursrechter uitgesproken dat een windturbinepark geen stedelijke ontwikkeling is in de zin van de ‘ladder’ (artikel 3.1.6, tweede lid, in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening). En geen stedelijke ontwikkeling betekent dat je de ‘ladder’ niet hoeft toe te passen.

Niet logisch
Maar nu heeft de Raad van State dit ook expliciet uitgesproken over zonneparken. Naar zijn aard verschillen deze namelijk niet wezenlijk van een windturbinepark. Beide voorzieningen op het gebied van energieopwekking horen niet thuis binnen bestaand stedelijk gebied.
Maar wanneer je windturbineparken en zonneparken wel als stedelijke ontwikkelingen zou betitelen, dan zou je bij ieder besluit hierover moeten motiveren waarom deze voorziening niet binnen bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien. Gelet op het doel en de strekking van de ladder voor duurzame verstedelijking zou dat niet logisch zijn.
Zeker, we willen ons buitengebied zoveel mogelijk sparen. En de ‘ladder’ dwingt een gemeente om een belangenafweging te maken wanneer het gaat om ‘zorgvuldig ruimtegebruik’. Met dit doel kan onder meer ‘overprogrammering’ worden voorkomen. Maar dit is natuurlijk niet aan de orde bij duurzame voorzieningen op het gebied van energieopwekking die in feite alleen in het buitengebied gerealiseerd kunnen worden. Integendeel! Vraag het maar aan het Planbureau voor de Leefomgeving. En Rutte weet het nu ook.
Bron: ABRvS 23 januari 2019, nr. 201804681/1/A1

Frank HabrakenZonneparken zijn eenvoudig bestand tegen beroepsgronden over de ‘ladder’