Nieuws

Is een verzoek om voorlopige voorziening tegen een tijdelijke omgevingsvergunning nagenoeg kansloos?

Nou, dat ligt eraan. Zijn de tijdelijk vergunde activiteiten omkeerbaar en leiden deze activiteiten niet tot (bijvoorbeeld) een zodanige milieuoverlast dat daarin een spoedeisend belang is gelegen, dan lijkt het erop dat zo’n verzoek bij de rechtbank nagenoeg kansloos is.

Volgens de rechtbank Noord-Holland draait het om het begrip ‘onomkeerbaarheid’. Dit begrip is zowel relevant bij een voorlopige voorziening als bij een tijdelijke omgevingsvergunning.

Zo moet het bij het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning (artikel 4, lid 11 van bijlage II Besluit omgevingsrecht) aannemelijk zijn dat de vergunde activiteiten na de tijdelijke termijn daadwerkelijk kunnen en zullen worden beëindigd. Vereist is dus dat de activiteiten zonder onomkeerbare gevolgen kunnen worden beëindigd.

En in dat geval kan er ook geen voorlopige voorziening worden getroffen. Het voldoet namelijk niet aan de eis van ‘onverwijlde spoed’ die voor een voorlopige voorziening noodzakelijk is (artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht).
Bij deze spoedeisendheid moet immers niet gewacht kunnen worden op de afhandeling van het geschil in de hoofdzaak. Volgens de wetsgeschiedenis heeft deze spoedeisendheid (als regel) betrekking op de onmogelijkheid om de eventuele gevolgen van (de uitvoering van) de omgevingsvergunning nog te herstellen. Juist, de onomkeerbaarheid dus (MvT, Parl. Gesch. Awb II, p. 506).

En bij een tijdelijke omgevingsvergunning is er (als het goed is) dus sprake van een omkeerbare situatie. De omgevingsvergunning wordt voor een periode van (maximaal) tien jaar verleend. En na deze periode kunnen de activiteiten zonder onomkeerbare gevolgen weer worden beëindigd. Althans, dat is een randvoorwaarde voor een tijdelijke vergunning.

Dit betekent dat als er gestart wordt met de uitvoering van de vergunde werkzaamheden en later blijkt dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend, de op dat moment reeds uitgevoerde werkzaamheden ook niet onomkeerbaar zijn.
De verzoeker heeft in dat geval dan ook geen belang bij schorsing van de tijdelijke omgevingsvergunning om te voorkomen dat hij later wordt geconfronteerd met een voldongen feit.

Aldus de redenering van de rechtbank. Het is afwachten of onze andere bestuursrechters die redenering delen.

Bron: rechtbank Noord-Holland, 30 oktober 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:9752 (met dank aan een collega voor de jurisprudentie-tip)

Frank HabrakenIs een verzoek om voorlopige voorziening tegen een tijdelijke omgevingsvergunning nagenoeg kansloos?