Nieuws

Stalderingsregeling van de provincie Brabant blijft fier overeind staan

Sinds 2017 stelt de provincie Noord-Brabant extra voorwaarden aan een ontwikkeling van een veehouderij. Wanneer een veehouderij wil uitbreiden, dan moeten er op een andere plek stallen verdwijnen. ‘Stalderen’ noemen we dat. Gisteren heeft de Raad van State geoordeeld dat stalderen volkomen rechtmatig is.

Motief
De veehouderij heeft zich in Brabant vooral geconcentreerd in delen van Oost- en Midden-Brabant. De druk op mens en natuur is hier dan ook groot. De provincie wil daarom op regionale schaal de omvang van de veestapel begrenzen. Bijkomend voordeel: de provinciale maatregelen die de provincie eerder heeft getroffen (zorgvuldige veehouderij) komen hiermee ook nog eens beter uit de verf.

Daarnaast is in dit gebied leegstand van stallen een groot probleem. Met de stalderingsregeling probeert de provincie leegstand zoveel mogelijk te voorkomen. Dit is niet alleen in het belang van het landschap, maar ook in het belang van veiligheid (criminaliteit).

Ter discussie
In de uitspraak van gisteren wordt deze stalderingsregeling (naar mijn weten) voor het eerst bij onze hoogste bestuursrechter ter discussie gesteld. De stalderingsregeling is echter een algemeen verbindend voorschrift (artikel 26.1 Verordening ruimte). En hiertegen is natuurlijk geen beroep mogelijk. Maar deze bepaling wordt in deze zaak over een bestemmingsplan (die immers wel appellabel is) via de band van de exceptieve toetsing door de bestuursrechter beoordeeld.

De appellant voert in deze zaak talloze argumenten aan waarom de stalderingsregeling niet deugt.

Ruimtelijk belang
“Zo ontbreekt er een causaal verband tussen een planontwikkeling enerzijds en de in de stalderingsregeling vereiste sloop of herbestemming van een bestaand stal anderzijds. Die stal staat immers ergens anders. Het ruimtelijk belang is daarom ver te zoeken.” Aldus het betoog van de appellant.

De Raad van State veegt dit betoog echter resoluut van tafel.

Zoals het hoort, beschrijft de bestuursrechter eerst het kader, het ‘speelveld’. In een provinciale verordening mogen regels worden opgenomen over de inhoud van (onder andere) bestemmingsplannen, wanneer provinciale belangen dat met het oog op een ‘goede ruimtelijke ordening’ noodzakelijk maken. En een regel mag ook gelden voor een gedeelte van het grondgebied van de provincie.

Vervolgens toetst de rechter of de stalderingsregeling in dit kader past. Om te bepalen of deze regeling met het oog op een ‘goede ruimtelijke ordening’ noodzakelijk is, is het motief van deze regeling natuurlijk allesbepalend. De toelichting van de stalderingsregeling moet hier uitkomst bieden.

Dan krijgen de (hierboven al kort aangehaalde) overwegingen voor de provincie om tot staldering over te gaan in de uitspraak de volle aandacht. Het provinciale motief in een notendop: het tegengaan van verdere regionale concentratie en het tegengaan van leegstand van stallen.

Veehouderijen veroorzaken overlast voor zowel mens als natuur door de uitstoot van geur, fijnstof, stikstof, geeft risico’s voor de volksgezondheid, levert gevaarlijke situaties op door het zware vrachtverkeer en geeft visuele hinder. Door een toenemende regionale concentratie van vee nemen deze negatieve effecten ook nog eens toe. Daarnaast zijn er al veel leegstaande stallen. Kansen en mogelijkheden voor hergebruik zijn daarbij ook nog eens beperkt.

Kortom: hoezo geen ruimtelijk belang? Wel dus.

Ook constateert de Raad van State dat er wél een causaal / ruimtelijk verband is tussen een voorgenomen uitbreiding van een veehouderij en de vereiste sanering. Beide activiteiten moeten namelijk in hetzelfde stalderingsgebied plaatsvinden. Daarmee neemt de oppervlakte van bestaande stallen in dit gebied per saldo niet verder toe.

Noodzaak?
De appellant geeft het nog niet op. “Maar de noodzaak voor deze regeling is helemaal niet onderbouwd. Waarom moet ik meer slopen of herbestemmen dan waarin mijn beoogde uitbreiding voorziet? Er zijn al genoeg regels voor veehouderijen en de stalderingsregeling voegt hier niets aan toe!”

De Afdeling constateert echter dat het provinciebestuur niet over één nacht ijs is gegaan.
Er zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd naar het doelbereik en de effecten van de regeling (afgezet tegen de autonome ontwikkeling).

En wat blijkt? Het proces van een verlaging van de impact van de veehouderij op de omgeving wordt versneld door meer stallen op te heffen dan erbij komen. Eén van de voorwaarden van de stalderingsregeling is namelijk dat de oppervlakte van de sanering tenminste 110% bedraagt van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen. Zo zal de oppervlakte van bestaande stallen steeds een beetje afnemen.

Dus ook de noodzaak van de stalderingsregeling is voldoende onderbouwd.

Evenredigheid
In een ultieme poging om de stalderingsregeling onderuit te halen roept appellant nog dat de stalderingsregeling (voor hem) een zware financiële last is. Op deze manier wordt zijn bedrijf (bedrijfseconomisch) op achterstand gezet ten opzichte van andere veehouderijen.

Helaas voor de appellant. Ook dit aspect is door de provincie goed onderzocht. Hieruit blijkt dat de kosten voor staldering niet onevenredig zijn in vergelijking met de totale investeringskosten die met de uitbreiding van stallen gemoeid zijn.

Ook is de provincie van mening dat het grote maatschappelijk belang dat wordt gediend met de stalderingsregeling in de betrokken overbelaste gebieden zwaarder moet wegen dan de investeringen die een veehouder moet doen. Ook vindt de provincie het redelijk dat wanneer veehouders profiteren van een uitbreiding van hun bedrijf, dat de provincie een tegenprestatie vraagt om de overlast voor mens en natuur te beperken.

De Afdeling gaat hierin mee. De stalderingsregeling is niet onevenredig bezwarend.

Stalderingsmeters
“En hoe moet ik dat dan doen? Er zijn helemaal geen stalderingsmeters beschikbaar!” Aldus de appellant.

Ook dit argument verwijst de Afdeling naar de prullenbak. Uit het provinciale onderzoek blijkt dat in ieder geval vanaf 2020, wanneer de tijdelijke regeling in het Besluit Huisvesting Veehouderij eindigt, voldoende stalderingsmeters beschikbaar zullen zijn.

Lang verhaal kort: de stalderingsregeling van de Verordening ruimte Brabant is rechtmatig.

Voorwaardelijke verplichting?
“Goed, de stalderingsregeling is een feit. Maar koppel deze dan als voorwaardelijke verplichting aan een omgevingsvergunning voor bouwen.” Appellant denkt hiervoor een mogelijkheid te zien in de stalderingsregels.

Zelfs met dit betoog gaat de Afdeling niet in mee. De stalderingsregels bieden hiervoor geen ruimte. Dit komt ook overeen met de Beleidsregel staldering Noord-Brabant.

Ten slotte verwacht hij financieringsproblemen met deze stalderingsregels voordat er een besluit op zijn aanvraag is genomen. De stalderingseis die nu in het (door hem) bestreden bestemmingsplan is opgenomen, belemmert daardoor iedere ontwikkeling.

De Afdeling is hier gauw klaar mee. De vermeende financieringsproblemen zijn niet aannemelijk gemaakt.

De stalderingsregeling van de provincie Brabant blijft dus fier overeind staan.

Bron: ABRvS 7 november 2018, nr. 201605590/2/R2

Frank HabrakenStalderingsregeling van de provincie Brabant blijft fier overeind staan