Nieuws

Zijn fouten met de ‘nieuwe’ procedurele mer-regels fataal voor een bestemmingsplan?

Nee, niet altijd. Dat ligt eraan. De kans op procedurele fouten is sinds afgelopen zomer met de relatief ‘nieuwe’ mer-regels in elk geval (flink) toegenomen, omdat er voor veel meer activiteiten dan voorheen extra procedurele eisen gelden.

Dit geldt overigens zowel voor beslissingen op aanvraag als voor beslissingen die ambtshalve worden genomen. Daarom moet je met verzoeken om bestemmingsplannen te wijzigen, bestemmingsplannen waarbij de gemeente initiatiefnemer is én omgevingsvergunningen die activiteiten in de zin van het Besluit mer mogelijk maken heel alert zijn. Deze besluiten kunnen immers te maken krijgen met die nieuwe procedurele regels. De lastendruk voor deze zaken is daarom naar mijn mening alleen maar toegenomen.

Zodoende is een procedurele fout eerder gemaakt (per abuis natuurlijk). In de praktijk wordt daarom nog wel eens de vraag gesteld of deze fout van de mer-beslissing kan worden gerepareerd door alsnog een mer-beslissing te nemen.

Gisteren heeft de Afdeling in een zaak die zich afspeelde in Friesland in ieder geval een ‘escape’ voor zo’n fout op een presenteerblaadje aangeboden.

Verdedigen
In deze zaak stelt de gemeenteraad ambtshalve een bestemmingsplan vast voor een prachtige nieuwe woonwijk aan het water. Een nabijgelegen agrarisch bedrijf ziet dit plan helemaal niet zitten. De agrariër is bang dat die woonwijk negatief uitpakt voor zijn bedrijf.

De agrariër wijst in beroep op het feit dat de gemeenteraad in strijd met de mer-regeltjes heeft gehandeld. Vanaf 7 juli 2017 is immers de vormvrije mer-beoordeling voor activiteiten beneden de grenswaarde (genoemd in het Besluit mer) vervangen door de mer-beoordelingsplicht.
Een vormvrije mer-beoordeling van een A-4-tje in de toelichting van een bestemmingsplan is er niet meer bij. Tegenwoordig zullen er dus veel meer besluiten een mer-beoordelingsprocedure moeten doorlopen.

Terug naar de onderhavige zaak. Voordat het ontwerpplan in deze zaak ter inzage was gelegd, is er geen beslissing genomen over de vraag of er een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Dit besluit is pas genomen tegelijk met het vaststellingsbesluit van het bestemmingsplan.

Volgens de agrariër heeft bovendien het verkeerde bestuursorgaan dit mer-beoordelingsbesluit genomen. Dit had het college van burgemeester en wethouders moeten doen. Niet de gemeenteraad.

De raad probeert het een en ander nog te verdedigen door te stellen dat het ontwerpplan al in procedure was gebracht voordat de nieuwe mer-regelgeving van kracht was. Ook was in het ontwerpplan een vormvrije m.e.r.-beoordeling opgenomen en in het vaststellingsbesluit was alsnog rekening gehouden met de nieuwe mer-regels. Verder waren er materieel geen belangen geschaad. Ten slotte was de raad van mening dat zowel de raad als het college bevoegd was een m.e.r.-beoordelingsbesluit te nemen.

Dit betoog van de raad gaat echter (grotendeels) niet op. Wanneer het bevoegd gezag (in dit geval de gemeenteraad) ambtshalve een activiteit in de zin van het Besluit mer wil ondernemen, moet het bevoegd gezag een mer-beslissing nemen, voordat het ontwerpplan ter inzage wordt gelegd. Dit besluit kent twee smaken: of er is sprake van een mer-plicht of niet. Dit staat in artikel 7.19 van de Wet milieubeheer. Dit is een aparte regeling voor de situatie waarin de initiatiefnemer en het bevoegd gezag in hetzelfde bestuursorgaan zijn verenigd.

En het bestemmingsplan in deze zaak voorziet in een stedelijk ontwikkelingsproject onder de drempelwaarde. De gemeente is zelf initiatiefnemer. En ja, het besluit dat er voor dit bestemmingsplan geen MER nodig is (een mer-beoordelingsbesluit in de zin van artikel 7.19 Wet milieubeheer) is niet genomen vóór de terinzagelegging van het ontwerpplan. Dit is pas tegelijk met het vaststellen van het bestemmingsplan gebeurd. De gemeenteraad heeft daarom in strijd gehandeld met artikel 7.19 Wet milieubeheer. Torpedeert dit gebrek nu het bestemmingsplan?

Aangevallen
Nou, niet wanneer belanghebbenden door die fout niet zijn benadeeld. Inhoudelijk werd de mer-beoordeling ook niet aangevallen. Voor onze hoogste bestuursrechter was dit alles genoeg om dit gebrek met artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

Over welk bestuursorgaan nu bevoegd was om het mer-beoordelingsbesluit te nemen, zegt de Afdeling dat zowel het college als de raad (op grond van artikel 7.1, vierde lid Wet milieubeheer) bevoegd waren om het m.e.r.-beoordelingsbesluit (zie artikel 7.19, eerste lid Wet milieubeheer) te nemen. De wettelijke bepalingen over de milieueffectrapportage staan immers in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en dit hoofdstuk bepaalt dat onder ‘bevoegd gezag’ wordt verstaan het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het voorbereiden (bij een bestemmingsplan is dat B&W) dan wel het vaststellen van een bestemmingsplan (de gemeenteraad).

Conclusie: nee, een fout met de ‘nieuwe’ procedurele regels hoeft niet fataal te zijn voor een bestemmingsplan. Betrek hier in elk geval de voorwaarden bij (onder andere de vraag of belanghebbenden door deze fout in hun belangen zijn geschaad) die in deze uitspraak worden genoemd. Ook mag het duidelijk zijn dat de conclusie van de te late mer-beslissing moet zijn dat er geen sprake is van een mer-plicht voor de beoogde activiteit. Deze herstelmogelijkheid is in dat geval dus juridisch houdbaar.

Ik kan me niet voorstellen dat dit – onder vergelijkbare voorwaarden – voor beslissingen op aanvraag (zoals bij de eerdergenoemde omgevingsvergunningen) anders zal zijn.

Bron: ABRvS 26 september 2018, nr. 201800884/1/R6

Frank HabrakenZijn fouten met de ‘nieuwe’ procedurele mer-regels fataal voor een bestemmingsplan?