Nieuws

Handige argumenten voor discussies of er nu wel of geen sprake is van een ‘aanvraag’ omgevingsvergunning

Voor het ontstaan van een van rechtswege verleende omgevingsvergunning is het natuurlijk noodzakelijk dat er ook een aanvraag (in de zin van de Algemene wet bestuursrecht) op tafel ligt.

Of hier sprake van is, is niet altijd klip en klaar. Dit is nog wel eens voer voor discussie. In de uitspraak van gisteren zijn een aantal omstandigheden genoemd die je (ook als argumenten) kunt gebruiken in deze discussie.

Omstandigheden optellen
In deze zaak claimt een adviseur voor een supermarkt dat er een vergunning van rechtswege is ontstaan. Volgens de adviseur was er namelijk niet tijdig een besluit genomen op hun ‘aanvraag’ en dit besluit was ook niet tijdig gepubliceerd (in de zin van artikel 4:20b en 4:20c Algemene wet bestuursrecht).

Maar zowel de rechtbank als de Afdeling vond dit te gemakkelijk en wel vanwege de volgende omstandigheden:

– de zogenaamde ‘aanvraag’ was in een briefvorm gegoten;

– in deze brief werd (slechts) een verzoek gedaan om planologische medewerking voor het vestigen van een supermarkt van ten minste 2.500 m² in een bestaand pand;

– daarmee was ook het niet ondubbelzinnig kenbaar dat de brief als een aanvraag in de zin van artikel 1:3 Algemene wet bestuursrecht moest worden aangemerkt. Hierbij speelt ook mee dat in de brief het plan niet nader werd omschreven. Op deze manier was het daarom niet duidelijk om welke bouwwerken het ging. Ook het vermelden van een minimale oppervlakte van het plan helpt natuurlijk niet. Wat is dan immers de omvang van het plan?;

– de reactie op deze brief van de gemeente zou door de supermarkt worden betrokken om al dan niet tot aankoop van het betrokken perceel over te gaan;

– welke supermarkt het betrof stond echter niet in de brief;

– verder gaf de adviseur in de brief aan dat hij graag bereid was om aan het college een toelichting te geven op dit verzoek;

– in een e-mailwisseling tussen de adviseur en de gemeente sprak de adviseur ook niet uit dat de brief aangemerkt moest worden als een aanvraag, terwijl de gemeente in dit e-mailverkeer aangaf dat zij de brief anders interpreteerde.

Conclusie wanneer we al deze omstandigheden bij elkaar optellen: er is geen sprake van een aanvraag. En dus ook geen vergunning van rechtswege.

Omgevingsloket
Dat de adviseur deskundig is op het terrein van de ruimtelijke ordening spreekt ook niet in zijn voordeel. Je mag van deze adviseur immers verwachten dat hij weet hoe een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend, namelijk via het Omgevingsloket.

Natuurlijk, dat de ‘aanvraag’ niet via het Omgevingsloket is ingediend, wil nog niet zeggen dat er geen sprake is van een officiële aanvraag (zie immers ABRvS 23 augustus 2017, nr. 201606373/1/A1). Normaliter wordt een aanvrager dan in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag alsnog via de koninklijke weg en met een aanvraagformulier in te dienen (in de zin van artikel 4:5 Algemene wet bestuursrecht).

Maar de bestuursrechters bezien deze omstandigheid met alle eerdergenoemde omstandigheden van deze zaak.

En de rechters blijven daarom bij hun oordeel: de brief van de adviseur is echt geen aanvraag omgevingsvergunning. Er was dan ook geen aanleiding om de adviseur in de gelegenheid te stellen om aanvullende gegevens te overleggen. Het eindoordeel is dan ook dat onder deze omstandigheden nooit een vergunning van rechtswege is ontstaan.

Bron: ABRvS 15 november 2017, nr. 201702255/1/A1

Frank HabrakenHandige argumenten voor discussies of er nu wel of geen sprake is van een ‘aanvraag’ omgevingsvergunning