Nieuws

Motivering van een kruimelgeval is niet altijd een appeltje-eitje

Bij een ‘grote’ afwijking met het bestemmingsplan moet er elke keer een ruimtelijke onderbouwing worden opgetuigd met alle toeters en bellen.

Bij een ‘kruimelgeval-afwijking’ hoeft dat niet. De Raad van State is daarom soms gauw klaar met beroepsgronden over motiveringsgebreken van kruimelgevallen.

Geen twijfel
Zo ook afgelopen woensdag. In deze zaak vindt de appellant dat de (met een kruimelgeval verleende) omgevingsvergunning niet economisch uitvoerbaar is, omdat met deze ontwikkeling nogal wat plankosten gemoeid zullen zijn.

De Raad van State veegt de beroepsgrond echter met één alinea van tafel. Voor kruimgevallen (in de zin van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2 Wabo) hoef je in de motivering van het besluit niets te zeggen over de ‘uitvoerbaarheid’. B&W hoeven daarom ook geen enkele twijfel te hebben over de economische uitvoerbaarheid. Punt.

De grondslag van deze uitspraak kun je (indirect weliswaar) afleiden uit artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor). In dit artikel staat wat je in elke ruimtelijke onderbouwing van een ‘grote’ afwijking van het bestemmingsplan moet kunnen teruglezen. Dit zijn dezelfde eisen als die worden gesteld aan een ‘toelichting’ van een bestemmingsplan.

Vandaar dat artikel 5.20 Bor simpelweg verwijst naar (onder meer) de eisen die aan een toelichting van een bestemmingsplan worden voorgeschreven. Die kun je terugvinden in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

Alleen de kruimelgeval-afwijking staat niet in artikel 5.20 Bor. Dus die eisen (zoals ‘de inzichten over de uitvoerbaarheid van het plan’) gelden niet voor een kruimelgeval. En dat verklaart de uitspraak van vorige week.

Alert
Appeltje-eitje nietwaar? En toch moet je bij de motivering van kruimelgevallen alert blijven. Met de uitspraak van afgelopen week zou je immers zeggen dat alle eisen van artikel 3.1.6 Bro nooit bij een kruimelgeval aan bod hoeven te komen. Zo kun je dus de ‘uitvoerbaarheid van de ruimtelijke ontwikkeling’ gemakkelijk achterwege laten.

En wat dacht je van de ladder voor duurzame verstedelijking. Die staat ook in dit artikel. Staat die dan ook buitenspel bij kruimelgevallen?

Nou, niet altijd. Een kruimelgeval mag immers niet in strijd zijn met het wettelijke criterium van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Dit geldt voor elke afwijking en dus ook voor een kruimelgeval (zie artikel 2.12, eerste lid Wabo). En de ladder voor duurzame verstedelijking is in feite niet meer dan een nadere invulling van het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’. De ladder bevordert tenslotte ‘zorgvuldig ruimtegebruik’.

Via de band van een ‘goede ruimtelijke ordening’ kunnen daarom bepaalde eisen van artikel 3.1.6 Bro aan de motivering van een kruimelgeval toch een rol van betekenis spelen.

Daarnaast zie je nog wel eens dat via de band van de provinciale (ruimtelijke) verordeningen ook een laddertoets voor kruimelgevallen in de zin van artikel 3.1.6 Bro wordt voorgeschreven.

Scherp
Enfin, sommige ruimtelijke aspecten van een motivering van een kruimelgeval kunnen relatief eenvoudig worden afgedaan (zie immers de uitspraak van afgelopen week).

Maar het blijft opletten geblazen. Bij andere ruimtelijke aspecten moet je wel de verschillende ‘banden’ van het speelveld scherp in beeld hebben, voordat je een kruimelgeval-afwijking aftikt.

Bron: ABRvS 1 november 2017, nr. 201605539/1/A1

Frank HabrakenMotivering van een kruimelgeval is niet altijd een appeltje-eitje