Nieuws

Verandert een ‘goede ruimtelijke ordening’ in een ‘slechte ruimtelijke ordening’ met deze uitspraak over voorwaardelijke verplichtingen?

De ‘voorwaardelijke verplichting’ mag zich verheugen in een grote populariteit in onze praktijk. Deze verplichting ‘ontspringt’ uit de eis die de wetgever stelt aan al onze ruimtelijke besluiten: een goede ruimtelijke ordening.

Maar wanneer een gemeente het in haar macht heeft om de (in het kader van die goede ruimtelijke ordening) noodzakelijke voorzieningen te realiseren, dan tilt de rechter ineens niet zo zwaar aan die voorwaardelijke verplichting. En dan is het de vraag of die ‘goede ruimtelijke ordening’ niet vroeg of laat omslaat naar een ‘slechte ruimtelijke ordening’.

Wat volgt is een vrije interpretatie van het verloop van de zitting van deze uitspraak, waarbij de vraagtekens bij deze uitspraak gaandeweg zichtbaar worden.

Drastisch

“Leuk, zo’n ruimtelijk plan voor woningbouw in een groene woonomgeving. En zelfs met een dorps karakter. Ja, ja. Maar wie verzekert mij dat die woonomgeving ook groen wordt en groen blijft?”

De vraag van de appellant in deze zaak is eigenlijk wel gerechtvaardigd. De nieuwe woningen rijzen namelijk vlak voor zijn huis. Zijn uitzicht verandert drastisch. Van een agrarische omgeving naar een woonomgeving. Hij wil daarom zeker weten dat de beoogde ‘woningbouw in een groene omgeving’ geen loze belofte is.

Het hier bestreden ruimtelijk plan biedt die garantie echter niet. Zo is er geen beplantingsplan voorgeschreven. Daarnaast is het onderhoud van het groen niet verzekerd. Niets van dit alles. “Waarom wordt er in het ruimtelijk plan geen voorwaardelijke verplichting opgenomen?,” vraagt de bezorgde appellant.

De vertegenwoordiger van de gemeente probeert tijdens de zitting de zorgen van de appellant weg te nemen. “Het groen komt op onze grond. Wij zullen er daarom voor zorgen dat er meer dan voldoende plantjes en boompjes komen. En die zullen we met liefde onderhouden. De kosten van het beheer en onderhoud kunnen in de gemeentelijke begroting worden opgenomen. Geen probleem!”

Onze hoogste bestuursrechter knikt (nauwelijks zichtbaar) instemmend. Met deze uitspraak van de vertegenwoordiger ligt er een toezegging op tafel dat de noodzakelijke onderhoudsmaatregelen zullen worden getroffen. En het feit dat het openbare groen in het plangebied eigendom is van de gemeente, betekent dat de gemeente het in haar macht heeft om deze maatregelen ook daadwerkelijk te treffen. Daarnaast heeft de appellant niet aannemelijk gemaakt dat er belemmeringen zijn die zich hiertegen verzetten.

Alles bij elkaar opgeteld, hoefde in het ruimtelijke plan geen voorwaardelijke verplichting opgenomen te worden over het (onderhoud van het) groen. De Raad van State vraagt zich zelfs af of deze verplichting wel noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening.

Met een (inmiddels) rood hoofd van woede schreeuwt de appellant: “Maar met de plantjes en boompjes kunnen de nadelige gevolgen van het plan voor mijn woongenot worden beperkt! Denk aan de hinder door het gebruik van de parkeerplaatsen. En wat dacht je van de inbreuk op mijn privacy?! Telt dat dan niet meer mee?”

De Raad van State verwijst nogmaals naar het feit dat de gemeente als eigenaar van de groenstrook het in haar macht heeft de maatregelen te treffen, die de nadelige gevolgen van het plan voor het woongenot van de appellant wegnemen. Bijvoorbeeld met een bepaalde minimumhoogte van de beplanting. Een voorwaardelijke verplichting in de planregels is daarom nergens voor nodig. Nu, dat is dan ook de essentie van deze uitspraak.

Toelatingsplanologie

En toch kun je je afvragen of de appellant niet een punt heeft. De gronden waar het gewenste groen is voorzien krijgt hiervoor een passende bestemming. Alleen kennen we in ons ruimtelijk bestuursrecht geen verplichting om bestemmingen daadwerkelijk te realiseren (beginsel van toelatingsplanologie).

Dat geldt dus ook voor een gemeente. Dat een vertegenwoordiger van een gemeente toezegt dat het met het groen wel goed komt is ook niet altijd een garantie. Hoe goed bedoeld ook, in de crisisjaren werd er immers nog wel eens (fors) bezuinigd op openbaar groen.

Om te borgen dat bepaalde ruimtelijk gewenste voorzieningen (landschappelijke inpassing, dove gevels, geluidschermen, aanleg van voldoende parkeerplaatsen) ook worden uitgevoerd, kennen we nu al ruim een decennium de voorwaardelijke verplichtingen. De grondslag voor deze bijzondere gebruiksregels is artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

Deze voorwaardelijke verplichtingen worden in ruimtelijke besluiten (niet alleen plannen, maar ook omgevingsvergunningen) opgenomen wanneer het bevoegd gezag dit vanuit een ‘goede ruimtelijke ordening’ noodzakelijk vindt. Maar wanneer een gemeente het in haar macht heeft zelf een (vanuit een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk geachte) voorziening te realiseren, is een voorwaardelijke verplichting ineens niet noodzakelijk.

Goed, dit is de jurisprudentie waarmee we moeten werken. Maar ik vraag me toch af of dit onderscheid wel terecht is. Met een voorwaardelijke verplichting kan iedereen die een belang heeft om een beroep te doen op bijvoorbeeld zijn of haar woon- of leefklimaat (als wezenlijk onderdeel van een goede ruimtelijke ordening), de hiervoor noodzakelijke voorzieningen relatief gemakkelijk afdwingen bij de bestuursrechter.

Ander daglicht
Of die voorzieningen nou door de ene (rechts)persoon of de andere (rechts)persoon moeten worden uitgevoerd, moet natuurlijk niets uitmaken. En bedenk dat een gemeente ook (maar) een rechtspersoon is, die haar gronden eveneens kan verkopen. Dat geldt natuurlijk ook voor de gronden waar de gewenste voorzieningen noodzakelijk zijn.

Maar dan komt de essentie van de onderhavige uitspraak toch in een heel ander daglicht te staan. De gemeente heeft het dan niet meer in haar macht om die voorziening uit te voeren. De beoogde ‘goede ruimtelijke ordening’ wordt dan een ‘slechte ruimtelijke ordening.’

Bron: ABRvS 23 augustus 2017, nr. 201702500/1/R6

Frank HabrakenVerandert een ‘goede ruimtelijke ordening’ in een ‘slechte ruimtelijke ordening’ met deze uitspraak over voorwaardelijke verplichtingen?