Nieuws

Opmerkelijke koerswijziging Raad van State over tijdelijke omgevingsvergunningen

Toegegeven, ik moest even mijn wenkbrauwen fronsen toen ik deze uitspraak las. Afgelopen woensdag heeft de Raad van State – op het eerste gezicht – een opmerkelijke uitspraak gedaan over tijdelijke omgevingsvergunningen die gebaseerd zijn op de huidige kruimelgevallenregeling.

Niet enthousiast

Het ging in deze zaak om een tijdelijke omgevingsvergunning voor het bouwen en gebruiken van twee chalets in strijd met het bestemmingsplan. Het college van Gemert-Bakel gebruikte hiervoor een planologisch kruimgeval en wel op grond van artikel 4, elfde lid van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Daarmee mag het college omgevingsvergunningen verlenen voor gebruik in strijd met het bestemmingsplan voor een periode van maximaal 10 jaar.

Niet iedereen was hier enthousiast over. Bezwaar volgde. Ongegrond. De belanghebbende gaf echter niet op en stapte naar de rechtbank.

Aangezien de chalets al langer dan 10 jaar ter plaatse aanwezig waren, vond de rechtbank dat B&W geen tijdelijke omgevingsvergunning mochten verlenen. De periode van een tijdelijke omgevingsvergunning (dus in de zin van artikel 4, elfde lid van bijlage II Bor) gaat immers lopen wanneer de strijdigheid (bouwen of gebruik) met het bestemmingsplan feitelijk begint.

In een nog niet zover verleden werden tijdelijke vrijstellingen namelijk op dezelfde manier ‘behandeld.’ Toen wees onze hoogste bestuursrechter bijvoorbeeld nog naar de tekst, doel en strekking van artikel 17 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De maximale termijn voor een tijdelijke vrijstelling was nog 5 jaar. Ook toen was het feitelijk gebruik bepalend voor de aanvang van de vrijstellingstermijn. “Een andere uitleg zou er toe kunnen leiden dat een reeds vele jaren bestaande (illegale) situatie nog eens vijf jaar – maar dan met vrijstelling – kan voortduren.” Dit was destijds de reguliere opvatting in ons omgevingsrecht.

Werkt nu anders

Het college van Gemert-Bakel was echter van mening dat het nu anders werkt (het college ging dus in hoger beroep). De termijn van de tijdelijke omgevingsvergunning van het Bor begint niet meer vanaf het feitelijk gebruik, maar vanaf het moment waarop de vergunning wordt verleend.

Eerder dit jaar heeft de Afdeling al een keer bepaald dat de termijn van tien jaar begint bij de eerste verlening van een tijdelijke vergunning voor strijdig gebruik. Het maakt dan niks uit of deze tijdelijke vergunning is verleend op grond van het huidige artikel 4, elfde lid, bijlage II van het Bor of op een andere (eerdere) grondslag voor een tijdelijke vergunning (ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:487).

Maar dit is wat anders dan de vraag of de termijn van tien jaar ook eerder kan beginnen dan bij de eerste verlening van een tijdelijke vergunning voor het strijdige gebruik. Daar heeft de Afdeling in februari jl. niks over gezegd.

“De Afdeling beantwoordt die vraag thans ontkennend.” Dit is letterlijk geciteerd. Met het woordje ‘thans’ lijkt de Afdeling te zeggen dat ze nu breken met het verleden wanneer het gaat om het moment van aanvang van een tijdelijke (planologische) vergunning.

Waarom? Nou, onze hoogste bestuursrechter kan niet uit de tekst van artikel 4, elfde lid, bijlage II Bor, maar ook niet uit de wetsgeschiedenis afleiden dat het feitelijk strijdig gebruik met het bestemmingsplan doorslaggevend is voor de aanvangstermijn van een tijdelijke omgevingsvergunning.

En voor de chalets was nog nooit een tijdelijke omgevingsvergunning verleend. Het college van Gemert-Bakel mocht dus gewoon een omgevingsvergunning verlenen voor ten hoogste 10 jaar (ook al waren de chalets feitelijk al een hele tijd aanwezig).

Praktijk

Goed, kennelijk is uit de tekst van de wet noch de wetsgeschiedenis af te leiden dat het feitelijk strijdig gebruik met het bestemmingsplan doorslaggevend is voor de aanvangstermijn van een tijdelijke omgevingsvergunning. Maar of dit ook de bedoeling van de wetgever was…?

Mocht dit inderdaad zo zijn, zou het voor de praktijk wel zo fijn zijn wanneer de wetgever dit gewoon expliciet in de Kamerstukken uitspreekt (zeker wanneer het gaat om koerswijzigingen). Dan weten we meteen waar we aan toe zijn.

Hoe dan ook, colleges van onze gemeenten kunnen de ‘nieuwe’ koers van de Raad van State varen bij het verlenen van tijdelijke omgevingsvergunningen. Zelfs wanneer een met het bestemmingsplan strijdige situatie al meer dan 10 jaar aanwezig is.

Bron: ABRvS 16 augustus 2017, nr. 201605829/1/A1

Frank HabrakenOpmerkelijke koerswijziging Raad van State over tijdelijke omgevingsvergunningen