Nieuws

Hoe bepaal je nou of een omwonende een belanghebbende is bij een ruimtelijk besluit?

Met een kaart & je boerenverstand kom je een heel eind

Je verleent (namens B&W) een omgevingsvergunning voor een paviljoen en een waterskibaan bij een recreatieplas. De waterskibaan heeft alles erop en eraan. Een starthuis, startsteiger, masten en vlonders. Het paviljoen heeft een terras en is volledig gericht op de waterskibaan. Mooie ontwikkeling toch?

Nou, daar denkt niet iedereen zo over. Al gauw ligt er een bezwaarschrift op je bureau. Ga dan niet meteen aan de slag met de inhoudelijke bezwaren.

Google maps
Een van de eerste dingen die je doet is kijken of de bezwaarmaker eigenlijk wel belanghebbende is. En dus of er wel rechtsbescherming voor hem (of haar natuurlijk) als ‘natuurlijk persoon’ open staat.

Op Google maps zie je al gauw dat de afstand van de woning bezwaarmaker en het paviljoen en de waterskibaan maar liefst 700 meter bedraagt. Ook heeft hij geen enkel zicht op deze vergunde bouwwerken.

Is het bezwaarschrift nu niet-ontvankelijk? Nou, dat zou een overhaaste conclusie zijn. Goed, het afstands- en zichtcriterium is een belangrijk criterium om te bepalen of een omwonende ook belanghebbende is.

En let wel: het ene bouwwerk is het andere niet. Het maakt nogal een verschil voor de uitkomst van je toets aan het afstands- en zichtcriterium wanneer een vergunning wordt verleend voor een schuurtje of voor een windturbine.

Maar in jouw zaak ben je ervan overtuigd dat de afstand te ver is. De bezwaarmaker kan hierdoor niet rechtstreeks in zijn belang zijn geraakt (in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht).

Ruimtelijke uitstraling
Maar vaak speelt nog een ander criterium een rol bij het bepalen wie bij de ‘kring van belanghebbenden’ hoort: de ‘ruimtelijke uitstraling’ van de nieuwe ontwikkeling. Vaak is dit een kwestie van boerenverstand.

Het paviljoen en waterskibaan trekken logischerwijs meer bezoekers naar de recreatieplas. Op Google maps zie je dat de recreatieplas maar één toegangsweg heeft. En laat die bezwaarmaker nou net aan die weg wonen. Je kunt daardoor verwachten dat de bezwaarmaker te maken krijgt met meer verkeersbewegingen met alle gevolgen voor zijn woon- en leefomgeving van dien. De bezwaarmaker is daarom – via de band van de ‘ruimtelijke uitstraling’ – toch rechtstreeks in zijn belang geraakt. De bezwaarmaker is dus een belanghebbende in deze zaak.

De vergunninghouder is het niet met je eens. “Wat een flauwekul! De toename van het verkeer over die toegangsweg naar de recreatieplas is toch te verwaarlozen? Aan de plas ligt nu ook al een golfbaan met horeca. En wat dacht van je van het recreatiegebied als geheel? Het verkeer van en naar het paviljoen en de waterskibaan is niet van het overige verkeer te onderscheiden en maakt daarvan slechts een minimaal onderdeel uit!” Aldus de vergunninghouder.

Mocht deze discussie uiteindelijk tot aan onze hoogste bestuursrechter gevoerd worden, dan zul je het gelijk aan je zijde hebben. Door de enige toegangsweg zullen deze extra recreatieve voorzieningen natuurlijk altijd leiden tot meer verkeer voor het huis van de bezwaarmaker.

Dat deze discussie heel anders uitpakt wanneer de bezwaarmaker niet aan de toegangsweg zou wonen, spreekt voor zich.

Kortom, krijg je een bezwaarschrift van een omwonende (anders dan de buurman natuurlijk), pak er een kaart bij, kijk naar de specifieke omstandigheden van het geval (afstand, zicht en ruimtelijke uitstraling van de vergunde ontwikkeling zoals toename van het verkeer of parkeerdruk) en gebruik je boerenverstand.

Bron: ABRvS 17 mei 2017, nr. 201604558/1/A1

Frank HabrakenHoe bepaal je nou of een omwonende een belanghebbende is bij een ruimtelijk besluit?