Nieuws

Belang van bescherming van ons bodemarchief staat ver af van individuele belangen van appellanten

Relativiteitsvereiste werkt dan als een ondoordringbaar pantser tegen aanvallen op ruimtelijke besluiten

Kansloos! En toch zie je nog steeds dat bestemmingsplannen in beroep worden aangevallen door omwonenden, omdat zij vinden dat er geen rekening wordt gehouden met de archeologische waarden.

Maar zolang er geen archeologische belangenvereniging opkomt voor het bodemarchief binnen het plangebied, is deze beroepsgrond over archeologie een losse flodder. Het relativiteitsvereiste werkt dan als een ondoordringbaar pantser. Een bestemmingsplan zal dan nooit sneuvelen. Althans, niet met deze beroepsgrond.

Middel & doel archeologie

Sinds het Verdrag van Valletta (in 1992) kennen we een rechtstreekse koppeling tussen archeologie en de ruimtelijke ordening. Met dit verdrag staan de volgende uitgangspunten voorop:

  • streven naar behoud in de bodem (‘behoud in situ’);
  • rekening houden met archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen;
  • en wanneer behoud in situ niet mogelijk is, betaalt de verstoorder voor het onderzoeken van de archeologische waarden die vernietigd worden.

Archeologen hebben met dit verdrag en nadien de vertaling hiervan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (voor een belangrijk deel vertaalt in de Monumentenwet 1988) een middel in handen om hun doel te bereiken.

En hun doel is het reconstrueren van dat deel van de (menselijke) geschiedenis, waarover geen geschreven bronnen bestaan. Archeologen zijn daarom op zoek naar voorwerpen en grondverkleuringen en zij onderzoeken de bodemlagen en landschappelijke contexten.

Archeologen wroeten

Wanneer je dit middel en het achterliggende doel van het Verdrag van Valletta en onze archeologische wetgeving bekijkt, dan is het ook niet zo verwonderlijk dat talloze beroepsgronden over deze wetgeving kansloos zijn wanneer appellanten in beroepszaken over ruimtelijke besluiten voor hun individuele belangen (zoals hun woon- en leefklimaat) opkomen.

Tegenwoordig moet een appellant immers in beroep een omgevingsvergunning (om af te wijken van een bestemmingsplan) of een ruimtelijk plan aanvallen op zaken die hem rechtstreeks raken. De in zijn of haar ogen geschonden rechtsregel moet daarom in het leven zijn geroepen om ook zijn of haar belangen te beschermen. Het zogenaamde relativiteitsvereiste dus (artikel 8:69a Awb).

En archeologen wroeten in ons bodemarchief. Archeologische voorwerpen en (uiteraard) grondverkleuringen en bodemlagen bevinden zich in de (diepe) ondergrond. Ze doen onderzoek naar onze geschiedenis. Dat staat dus heel ver af van eventuele gevolgen van een ruimtelijk besluit voor het woon- en leefklimaat van een appellant. Dan gaat het om een heel ander belang.

Wanneer een appellant met archeologische wetgeving in de hand wil opkomen voor zijn woon- en leefklimaat (in de hoop dat het bestreden besluit hierop sneuvelt), dan is dit – sinds we het relativiteitsvereiste kennen – volgens mij nog nooit gelukt.

Zo ook niet vorige week. In deze zaak wilden de appellanten voorkomen dat er nieuwe woningen in de buurt van hun woningen werden gebouwd. Ze waren bang dat dit hun woon- en leefklimaat zou aantasten. Ook nu ketste de beroepsgrond over de kwaliteit (of het gebrek daaraan) van het archeologische onderzoek af op het relativiteitsvereiste. Deze beroepsgrond leidde dus niet tot een vernietiging van het bestreden besluit. Inhoudelijk werd deze beroepsgrond daarom ook niet besproken.

Menselijke geschiedenis

Kan er dan niemand opkomen voor ons bodemarchief? Jawel, maar alleen organisaties die (volgens hun statuten en feitelijke werkzaamheden) de belangen van de archeologische monumentenzorg behartigen, kunnen nog in beroep tegen ruimtelijke besluiten (succesvol) opkomen voor onze (menselijke) geschiedenis die diep in ons bodemarchief verscholen ligt.

En soms zie je ook nog wel dat de individuele belangen van een appellant dermate verweven zijn met de algemene belangen waar de appellant een beroep op doet, dat zij door de betreffende normen worden beschermd.

Maar wanneer je het hebt over de algemene belangen van de bescherming en het behoud van archeologische waarden, is de verwevenheid tussen die twee belangen moeilijk (zo niet onmogelijk) voorstelbaar.

Deze verwevenheid zie je overigens wel nog terug (maar ook zeldzaam) wanneer het gaat om een ander (vaak zichtbaarder) onderdeel van ons cultureel erfgoed: de monumentale waarden. Wanneer een woning van een appellant in de buurt ligt van een monument, dan ziet onze hoogste bestuursrechter nog wel eens de benodigde verwevenheid van het individuele belang van de appellant met het algemene belang van de monumentenwet of –verordening (bijvoorbeeld in ABRvS 22 juni 2016, 201504520/1/R2 en 201506228/1/R2, r.o. 16.35).

“Degenen die de geschiedenis van onze jurisprudentie niet kennen, zijn bestemd deze te herhalen.” Deze verbastering van het citaat van Edmund Burke (Engels politicus en filosoof) gaat hier naar mijn mening wel op. We zagen het in de uitspraak van afgelopen week.

Bron: ABRvS 25 januari 2017, 201601275/1/R1

Frank HabrakenBelang van bescherming van ons bodemarchief staat ver af van individuele belangen van appellanten