Nieuws

Wat geen ruimtelijk motief heeft, kan wel ruimtelijk relevant én kritiek voor een bestemming zijn

Hoe een complete bedrijfssector afgelopen maand zijn (planologisch) genadeschot heeft gekregen

In ons klein kikkerlandje kennen we ruimtelijke claims in overvloed. Betrek daarom bij je keuze voor een bestemming zoveel mogelijk ruimtelijk relevante aspecten. Maar dan ben je er nog niet. Ook aspecten die – op het eerste oog – helemaal geen ruimtelijk motief hebben, kunnen toch cruciaal voor een bestemming zijn.
Hoe dan? Nou, vraag je af of een bestemming wel realistisch is. Het is immers niet de bedoeling een bestemmingsplan vast te stellen, die niet uitvoerbaar is (artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening). En hierbij moet je met steeds meer aspecten rekening houden. Kennis van ‘alleen’ het omgevingsrecht is niet (meer) genoeg voor het opstellen van bestemmingsplannen.

Prullenbak

Neem nou de Wet verbod pelsdierhouderijen. Deze wet verbiedt sinds 15 januari 2013 nieuwe pelsdierhouderijen (onder meer nertsenbedrijven). En voor bestaande pelsdierhouderijen is het vanaf 1 januari 2024 over en uit. Tot die tijd kunnen deze bedrijven hun investeringen terugverdienen.

Deze wet uit 2013 kent echter geen enkel ruimtelijk motief. En toch is deze wet doorslaggevend wanneer het gaat om bestemmingen voor pelsdierhouderijen. Dit bleek al eerder uit een uitspraak van onze hoogste bestuursrechter (ABRvS 26 augustus 2015, nr. 201402008/1/R3).

“Je mag in een bestemmingsplan voor je buitengebied regelen dat omschakelen van (andere) intensieve veehouderijen naar een pelsdierhouderij verboden is,” aldus de Raad van State. Toen leek dit nog een opmerkelijke uitspraak, wanneer je bedenkt dat de rechtbank Den Haag (op 21 mei 2014) de Wet verbod pelsdierhouderij naar de prullenbak had verwezen.

De rechtbank vond immers dat er vanaf 15 januari 2013 sprake was van regulering van eigendom en dat er vanaf 1 januari 2024 sprake zal zijn van een zeer zware vorm van regulering van eigendom. Omdat er geen goede compensatie tegenover staat, leidt dit voor de pelsdierhouders tot een financieel fiasco. Geen fair balance dus.

De maatregelen in de wet waren in de ogen van de rechtbank onevenredig en in strijd met (artikel 1 van het Eerste Protocol bij) het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. En dan mag een rechter deze wet buiten toepassing laten (artikel 94 Grondwet).

Tegelijkertijd was de rechtbank wel van oordeel dat deze wet prima was gemotiveerd en het ook een legitiem doel zou dienen.

Definitief oordeel

Maar waarom vond de Raad van State een omschakelingsverbod naar een pelsdierhouderij in een bestemmingsplan dan prima? De Wet verbod pelsdierhouderijen heeft toch geen ruimtelijk motief? En bovendien, de ruimtelijke uitstraling van een pelsdierhouderij is toch niet anders dan een andere intensieve veehouderij?!

Ja, allebei waar. Maar de Raad van State verwachtte toen dat die wet straks weer van kracht zou worden (al dan niet na een eventuele reparatie door de wetgever) en de ruimtelijke gevolgen van die wet waren ook toen al duidelijk. Het bestemmen van (nieuwvestiging of omschakeling naar) pelsdierhouderijen is niet realistisch en dus niet uitvoerbaar.

Ook was de strijd nog niet gestreden. De Nederlandse overheid ging immers tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep en kreeg vervolgens (op 10 november 2015) gelijk van het Gerechtshof in Den Haag.

En afgelopen maand (op 16 december 2016) heeft de Hoge Raad een definitief oordeel geveld. De nertsenhouders zijn door de Hoge Raad in het ongelijk gesteld. Hun sector mag wel met de Wet verbod pelsdierhouderijen verboden worden.

Volgens de Hoge Raad is deze wet niet in strijd met het mensenrechtenverdrag. Dit verdrag beschermt slechts bestaande eigendomsrechten. Het verdrag biedt geen bescherming tegen verlies van toekomstige inkomsten.

De Wet verbod pelsdierhouderijen reguleert bestaande eigendomsrechten van de nertsenhouders. Het mensenrechtenverdrag staat dit toe wanneer er een redelijk evenwicht is tussen de bescherming van de fundamentele rechten van de nertsenhouders en het algemeen belang dat door de wet wordt gediend. En dat is volgens de Hoge Raad het geval (en volgt daarin dus het Gerechtshof), omdat nertsenhouders in de overgangsperiode (tot 2024) hun investeringen kunnen terugverdienen.

Ziehier, een wet en vervolgens een turbulente juridische strijd, welke op het eerste oog niets met ons omgevingsrecht te maken hebben, bepalen uiteindelijk of (wat betreft nieuwe pelsdierhouderijen) en zo ja, onder welke voorwaarden (wat betreft bestaande pelsdierhouderijen) ruimteclaims in onze bestemmingsplannen gerechtvaardigd zijn.

Bron: onder meer Hoge Raad 16 december 2016, ECLI: NL: HR 2016:2888 & ABRvS 26 augustus 2015, nr. 201402008/1/R3

Frank HabrakenWat geen ruimtelijk motief heeft, kan wel ruimtelijk relevant én kritiek voor een bestemming zijn