Nieuws

Actieve openbaarmakingsplicht bij bestemmingsplannen geldt niet voor alle stukken

Verklaringen waarom soms stukken van een bestemmingsplan niet ter inzage worden gelegd

Om omwonenden van een ruimtelijke ontwikkeling (of andere betrokkenen) een faire kans te geven een oordeel te vormen over een ontwerp bestemmingsplan (of een ontwerp omgevingsvergunning) en de stukken die daarbij horen, moet je dit ontwerpbesluit en die stukken netjes openbaar maken. Pas dan kunnen ze ook een weloverwogen keuze maken of een zienswijze op z’n plaats is.

Dat hierbij nog steeds kapitale fouten worden gemaakt, kon je lezen in het artikel “Je bestemmingsplan kan nog steeds kopje onder gaan als je cruciale stukken niet ter inzage legt”.

Maar soms zijn er hele goede verklaringen waarom bepaalde stukken juist niet met het ontwerpplan (of zelfs met het vastgestelde plan) ter inzage hebben gelegen. Ik noem een drietal voorbeeldjes:

1e voorbeeld: een planschaderisicoanalyse
Een planschaderisicoanalyse bij een ruimtelijk plan is geen verplicht nummertje. Dat kan echter anders zijn wanneer je vermoedt dat de planschade dusdanig hoog is, dat de financiële uitvoerbaarheid van het plan wellicht in het geding komt. En dan moet je toch laten zien dat het met deze uitvoerbaarheid wel snor zit (artikel 3.1.6, eerste lid Besluit ruimtelijke ordening / Bro). Zie hiervoor Vz. ABRvS 20 oktober 2011, 201107600/2/R3.

Maar wanneer je denkt dat het met de planschade niet zo’n vaart zal lopen, dan kun je die planschaderisicoanalyse achterwege laten.

En toch zijn er initiatiefnemers die voor eigen gebruik een planschaderisicoanalyse laten opstellen. Ze willen gewoon weten waar ze aan toe zijn. En dan kunnen deze initiatiefnemers ervoor kiezen om die planschaderisicoanalyse niet naar de gemeente te sturen.

De gemeenteraad (als bevoegd bestuursorgaan van een bestemmingsplan) heeft dan ook vaak geen idee wat hierin staat en deze risicoanalyse maakt dan ook geen onderdeel uit van de afweging van de raad. Dit betekent dat de planschaderisicoanalyse geen stuk is wat op het ontwerpplan betrekking heeft.

Gevolg: dit stuk hoef je dus niet ter inzage te leggen (op grond van artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht / Awb). Of eigenlijk beter gezegd: die kun je in dit geval niet ter inzage leggen.

2e voorbeeld: een anterieure overeenkomst
Wanneer bij de ruimtelijke ontwikkeling ook een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1 Bro mogelijk wordt gemaakt, dan moet de gemeente bepaalde kosten verhalen op de initiatiefnemer. Wettelijk moet dit in eerste instantie gebeuren met een exploitatieplan (artikel 6.12, eerste lid Wet ruimtelijke ordening / Wro). In veruit de meeste gevallen gebeurt dit echter met een anterieure overeenkomst (artikel 6.12, tweede lid Wro).

En al in 2011 vond de Afdeling (ABRvS 30 maart 2011, 201007248/1/R1) dat een – ten behoeve van de grondexploitatie – gesloten anterieure overeenkomst geen stuk is die betrekking heeft op het ontwerpplan (in de zin van artikel 3:11 Awb). Dus ook dit stuk hoef je niet ter inzage te leggen.

Dit is ook wel begrijpelijk, omdat in een anterieure overeenkomst de gemeente met een particuliere grondeigenaar op vrijwillige basis en met ruime contractsvrijheid afspraken maakt over het verhaal van grondexploitatiekosten.

Overigens wordt de zakelijke inhoud van een anterieure overeenkomst wel ter inzage gelegd.

3e voorbeeld: toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (MER) & aanvullingen MER
Stukken die tot stand komen ná de terinzagelegging van het ontwerpplan, zijn natuurlijk geen stukken die betrekking hebben op het ontwerpplan (als bedoeld in artikel 3:11 Awb). Wanneer een bestemmingsplan bijvoorbeeld planMER-plichtig is, dan wordt deze planMER vaak pas na de terinzagelegging van het ontwerpplan naar de Commissie voor de milieueffectrapportage gestuurd.

En dan adviseert deze commissie na de terinzagelegging van het ontwerpplan soms om de planMER aan te vullen met bijvoorbeeld een aanvulling op de passende beoordeling (in de zin van de Natuurbeschermingswet).

Kortom, deze stukken (het advies van de commissie en de aanvullende passende beoordeling) kunnen helemaal niet met het ontwerpplan ter inzage worden gelegd.

Hoewel er geen wet bestaat die de raad verplicht om die stukken alsnog ter inzage te leggen of naar indieners van zienswijzen toe te sturen, is het – onder omstandigheden – wel zorgvuldig dit te doen (in de zin van artikel 3:2 Awb). Zeker wanneer de raad deze stukken gebruikt voor de motivering van zijn besluit of het weerleggen van de zienswijzen.

Mocht je dit echter vergeten zijn, dan kun je er nog mee wegkomen (met artikel 6:22 Awb) door deze aanvullende stukken alsnog aan te bieden aan de appellanten, zodat ze hun bezwaren hierover kenbaar kunnen maken.

Ook mogen andere belanghebbenden niet in hun belangen zijn geschaad. Maar wanneer die aanvullende stukken met het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen, dan hebben de indieners van zienswijzen immers de mogelijkheid om die stukken in beroep ter discussie te stellen. In die zin zijn ze dus niet in hun belangen geschaad.

Goed, artikel 3:11 Awb is dus een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht (artikel 2 Wet openbaarheid van bestuur). Die bepaling moet je echt ruim opvatten. Alle adviezen en onderzoeksrapporten horen gewoon in de openbaarheid.

Maar zoals je ziet, kunnen er soms goede redenen zijn waarom stukken niet ter inzage hebben gelegen.

Bron: ABRvS 27 mei 2015, 201400754/1/R2

Frank HabrakenActieve openbaarmakingsplicht bij bestemmingsplannen geldt niet voor alle stukken