Nieuws

Je bestemmingsplan kan nog steeds kopje onder gaan als je cruciale stukken niet ter inzage legt

Vorige week kende de Afdeling geen enkele genade voor een bestemmingsplan. De voorbereiding van dit plan ging namelijk gepaard met een zeer opmerkelijke keuze van de gemeente met alle vernietigende gevolgen van dien. En de reddingsboeien van de Algemene wet bestuursrecht werden niet door de Afdeling uitgeworpen.

Doodsteek
Artikel 3:11 Algemene wet bestuursrecht (Awb) werd de doodsteek voor dit bestemmingsplan. Bij de voorbereiding van dit plan moet je – volgens dit artikel – immers het ontwerpbesluit en de stukken die daarbij horen netjes openbaar maken. De gedachte is dan dat betrokkenen zelf een oordeel kunnen vormen over de stukken en het ontwerp besluit. En op basis hiervan kunnen ze besluiten of ze hierover een zienswijze willen indienen.

Je moet artikel 3:11 Awb zien als een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht (artikel 2 van de Wet openbaarheid van bestuur). En deze bepaling moet je ruim opvatten. Alle adviezen en onderzoeksrapporten die bij je bestemmingsplan horen, moeten openbaar worden gemaakt.

Een samenvatting van deze stukken in de toelichting van het plan voldoet niet. Alleen wanneer deze stukken in het plan bij naam en toenaam worden genoemd of wanneer deze stukken alsnog (z.s.m.) tijdens de procedure aan belanghebbenden zijn gestuurd, dan wordt dit gebrek nog wel eens door de vingers gezien (met artikel 6:22 Awb). De rechter schenkt je dan vergiffenis wanneer belanghebbenden door deze fout niet zijn benadeeld.

Stukken die op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (artikel 10) niet voor het grote publiek bedoeld zijn (artikel 3:11, lid 2 Awb), vallen natuurlijk niet onder de actieve openbaarmakingsplicht. Ik heb het dan bijvoorbeeld over bedrijfsgegevens die vertrouwelijk door de initiatiefnemer van het ruimtelijk plan aan de gemeente zijn verteld.

Tip
Even een tip tussendoor. Je legt een bestemmingsplan ter inzage. Je kunt je dan beperken tot het bestemmingsplan zelf. Alle bijlagen mag je dan gerust op een andere plek in het gemeentehuis neerleggen. Maar leg bij het bestemmingsplan dan wel een inventarislijst waarop de bijlagen staan vermeld (beter nog: neem deze meteen mee in de inhoudsopgave van het plan). Geef hierbij ook aan dat die bijlagen direct op afroep beschikbaar zijn (ABRvS 9 februari 2011, nr. 200907470/1/R3).

Extra dimensie
De discussie of je al dan niet terecht relevante stukken ter inzage hebt gelegd, krijgt tegenwoordig ook een extra dimensie door het relativiteitsvereiste (art. 8:69a Awb). De rechter toetst dan of de stukken en de onderliggende regelingen op grond waarvan deze stukken zijn opgesteld de belangen beschermen van appellanten die zich daarop beroepen.

Stel nu dat een appellant een bestemmingsplan aanvalt omdat hij van mening is dat de aspecten verkeer en flora en fauna niet goed zijn onderbouwd. Wanneer de rechter dan tot de conclusie komt dat de inhoud van de regeltjes van deze aspecten niet zijn bedoeld om de belangen van deze appellant te beschermen (bijvoorbeeld omdat hij slechts een concurrentiebelang heeft), dan heeft dit ook gevolgen voor zijn beroepsgrond dat stukken met betrekking tot verkeer en flora en fauna ten onrechte niet ter inzage zijn gelegd. De rechter zal dan de schending met artikel 3:11 Awb terzijde schuiven (ABRvS 30 juli 2014, 201307597/1/R6).

En dan te bedenken dat het relativiteitsvereiste helemaal niet van toepassing is bij de voorbereiding van een besluit. Dit zou immers ten koste kunnen gaan van de kwaliteit van het besluit. Maar de rechter ‘anticipeert’ hier dus in feite wel op het relativiteitsvereiste. Er zit daarom een koppeling tussen de procedurele norm (in dit geval artikel 3:11 Awb) en het beschermingsbereik van de inhoud van de normen waar een beroep op wordt gedaan.

Opmerkelijke keuze
Maar in de zaak van vorige week werd de schending met artikel 3:11 Awb niet gepasseerd (in de zin van artikel 6:22 Awb). Ook het relativeitsvereiste kon het plan niet meer redden. Voor dit bestemmingsplan was er dus geen reddingsboei meer aanwezig.

In deze zaak werd de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling vooral gedragen door de adviezen van de monumentencommissie en de welstandscommissie. Deze adviezen waren echter niet ter inzage gelegd noch werd in de plantoelichting gewezen op het bestaan van deze adviezen. En zelfs in de nota van zienswijzen bleek niet welke adviezen de raad bij zijn afweging had betrokken. Een opmerkelijke (nog zachtjes uitgedrukt) keuze dus!

De Afdeling vond dan ook dat belanghebbenden mogelijk waren benadeeld doordat de adviezen van de monumentencommissie en de welstandscommissie niet met het ontwerpplan ter inzage hadden gelegen.

Andere beroepsgronden werden zelfs niet meer besproken (wat toch steeds minder vaak voorkomt) en het totale bestemmingsplan werd vernietigd. Toegegeven, een zeer zeldzame kapitale fout.

Bronnen:
– ABRvS 3 juni 2015, 201406684/1/R4
– ABRvS 30 juli 2014, 201307597/1/R6, Gst. 2014/120

Frank HabrakenJe bestemmingsplan kan nog steeds kopje onder gaan als je cruciale stukken niet ter inzage legt