Nieuws

Is het relativiteitsvereiste in strijd met onze mensenrechten?

Tot hoever reikt jouw recht op een eerlijk proces?

‘Een eerlijk proces! Verdomd, dat is een van onze mensenrechten! Ik heb daarom recht op een reële toegang tot de rechter. Ook wanneer ik beroep aanteken tegen een ruimtelijk besluit. En het relativiteitsvereiste van tegenwoordig verhindert dat! Dat is dus in strijd met onze mensenrechten!’

Relativiteitsvereiste
Aldus de appellant in deze zaak. Veel van zijn beroepsgronden werden door de rechter buiten behandeling gelaten. Waarom? Het relativiteitsvereiste gooide voor hem roet in het eten.

Wanneer je tegenwoordig immers in beroep gaat tegen (bijvoorbeeld) een omgevingsvergunning, een ruimtelijk plan of een handhavingsbesluit, dan moet je dit besluit wel aanvallen op zaken die jou rechtstreeks raken. De – in jouw ogen – geschonden rechtsregel moet daarom in het leven zijn geroepen om ook jouw belangen te beschermen. Zie ook ‘Wat betekent het ‘relativiteitsvereiste’ nu voor al onze omgevingsbesluiten? Een cursusje in 2 minuten.’

EVRM
‘Maar zo heb ik geen reële toegang tot de rechter en dat is in strijd met onze mensenrechten en wel met artikel 6 van het EVRM!’

Tussen haakjes: het EVRM staat voor het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. In dit Europees verdrag zijn de mensen- en burgerrechten voor alle inwoners van de verdragsluitende staten geregeld. Het verdrag is opgesteld in 1950 in navolging van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Terug naar de zaak. Helaas voor de appellant wijst de Raad van State hem op het feit dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens al in 1985 heeft gezegd dat artikel 6 van het EVRM géén absoluut recht op toegang tot de rechter biedt. Onze wetgever mag regels stellen die dit recht beperken.

Het Europese Hof stelt hierbij wel de volgende voorwaarden:

1. Het recht op toegang tot de rechter mag niet in zijn kern worden aangetast.
2. De beperkingen moeten een rechtmatig doel dienen.
3. En de beperkingen moeten evenredig zijn.

Vervolgens legt onze hoogste bestuursrechter het relativiteitsvereiste (van artikel 8:69a Awb) langs deze meetlat:

1. Zo leert de wetsgeschiedenis van artikel 8:69a van de Awb dat onze wetgever (Kamerstukken II 2009-2010, 32 450, nr. 3, blz. 20) natuurlijk ook van mening is dat rechtsbescherming door de rechter gewaarborgd moet zijn voor iedereen die stelt dat zijn rechtspositie is aangetast. Maar niet iedere schending van een rechtsregel tast automatisch de rechtspositie van iedere belanghebbende aan. Daarmee wordt dus de kern van het recht op toegang tot de rechter niet aangetast.
2. De wetgever wil graag het bestuursprocesrecht met het relativiteitsvereiste slagvaardiger maken. Geschillen moeten vaker worden beslecht. En daarmee heb je voorwaarde nummer 2 te pakken: de beperking dient een rechtmatig doel.
3. Verder beperkt het relativiteitsvereiste het beroep op rechtsregels of rechtsbeginselen alleen als deze regels of deze beginselen niet strekken tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Daarom is deze beperking niet onevenredig. Voilá: voorwaarde nummer 3.

Conclusie: het relativiteitsvereiste (van artikel 8:69a Awb) is niet in strijd met artikel 6 van het EVRM.

Grondwet
Hoewel de wetgever en de praktijk het recht op een eerlijk proces als uitgangspunt hanteert, is dit fundamentele recht vreemd genoeg niet opgenomen in onze Grondwet. Maar dat gaat binnenkort veranderen. Een wijziging van de Grondwet is al in de maak. En daarmee wordt de individuele rechtsbescherming van de burger op grondwettelijk niveau gegarandeerd. Een belangrijke pijler dus voor onze democratische rechtsstaat.

Maar volgens de Raad voor de rechtspraak krijgt dit recht op een eerlijk proces pas meerwaarde als het verbod op toetsing van wetten door rechters aan de Grondwet (artikel 120 Grondwet) wordt afgeschaft.

Waarom onze rechters wetten niet aan de Grondwet mogen toetsen? Gedachte is dat ons parlement bij het aannemen van nieuwe wetten waarborgt dat grondrechten niet in het geding zijn. Maar zoals je in deze zaak ziet, mogen rechters wel toetsen aan internationale verdragen. En daar zijn vaak dezelfde fundamentele rechten terug te vinden.

Mocht er toch door onze wetgever een wet worden gemaakt die de fundamentele rechten aantast (hoe minimaal ook), dan kan de rechter alleen corrigerend optreden wanneer een international verdrag hetzelfde regelt. En dan nog, de fundamentele mensenrechten zijn dan alleen gered in de zaak die dan bij die rechter voorligt. De discutabele wet staat dan nog fier overeind.

Bron: ABRvS 21 januari 2015, nr. 201310555/1/A1 & ‘Recht op een eerlijk proces hoort in Grondwet’ van 29 december 2014

Frank HabrakenIs het relativiteitsvereiste in strijd met onze mensenrechten?