Nieuws

Simpele omgangsvormen geven je handvatten voor betere ruimtelijke besluiten

Hoe privaatrechtelijke inspanningsafspraken zich verhouden tot publiekrechtelijke eisen

Gemeenteraden of colleges van B&W, doe wat je zegt! Doe je dat toch niet, geef dan in ieder geval aan waarom niet! Simpeler kan ik deze uitspraak van onze hoogste bestuursrechter niet samenvatten.

En de samenvatting geeft ook aan dat je met een beetje boerenverstand al een heel eind kan komen in ons omgevingsrecht 😉 De Raad van State vraagt in deze zaak van de gemeenteraad immers niet meer dan dat hij minimale omgangsvormen in acht neemt wanneer hij een besluit neemt.

Inspannen
In deze zaak had het college van B&W namelijk met een projectontwikkelaar in een overeenkomst afgesproken dat de gemeente zich zal inspannen om een bedrijventerrein publiekrechtelijk mogelijk te maken. Met een ruimtelijk besluit dus.

Alleen de gemeenteraad ziet dat uiteindelijk niet zitten. Hij stelt een bestemmingsplan vast waar de betrokken gronden geen bedrijfsbestemming krijgen, maar een groenbestemming. Waarom? ‘Nou, een bedrijfsbestemming is hier niet in het belang van een goede ruimtelijke ordening!’ Aldus de raad.

Een sterk punt. In de overeenkomst werd immers ‘slechts’ toegezegd dat men zich gaat inspannen om planologisch het bedrijventerrein te regelen. Maar wanneer de raad vindt dat dit – om wat voor reden dan ook – in strijd is met de wettelijke eis van een ‘goede ruimtelijke ordening’, dan is de raad niet verplicht om die toezegging na te komen.

In de loop van de bestemmingsplanprocedure kunnen er immers allerlei feiten en belangen (ook van derden natuurlijk) boven water komen, waar in eerste instantie – bij het sluiten van de overeenkomst – geen rekening mee was gehouden (ABRvS 27 juni 2012, 201109458/1/R1).

Motiveren
Maar dat wil natuurlijk niet zeggen dat de raad zomaar die toezegging mag negeren. ‘Geef dan minimaal aan waarom een bedrijfsbestemming geen optie meer is,’ aldus de Raad van State. Kortom, motiveer welke feiten en/of belangen roet in het eten gooien.

Verschuil je – als noodgreep – ook niet achter het conserverend karakter van het bestemmingsplan. Ook roepen dat de betrokken gronden tegenwoordig worden ‘bewoond’ door beschermde slangetjes is een slecht idee wanneer je dit niet keurig onderbouwd met een ecologisch onderzoek. Inderdaad, in deze zaak werd dit nog als verweer aangevoerd. Kansloos dus. Het oordeel van de Raad van State was vernietigend voor het plan en de raad kreeg zelfs geen herkansing (met een bestuurlijke lus).

Dus…
Een privaatrechtelijke afspraak tussen een gemeente en initiatiefnemers over een inspanningsverplichting om een bestemming in het leven te roepen is boterzacht wanneer een ‘goede ruimtelijke ordening’ die bestemming in de weg staat.

Dat laat onverlet dat diezelfde afspraak gemeenteraden of colleges dwingt om netjes te motiveren waarom het ruimtelijk besluit anders uitpakt dan dat deze partijen in eerste instantie voor ogen hadden.

Bron: ABRvS 26 maart 2014, BR 2014/77, noot

Frank HabrakenSimpele omgangsvormen geven je handvatten voor betere ruimtelijke besluiten