Nieuws

Tip: hoe kun je als concurrent de drempel van de relativiteitseis in ruimtelijke procedures overwinnen?

Beleid & visies kunnen belangen van concurrenten eerder beschermen dan regeltjes uit ruimtelijke wetten of verordeningen

Als concurrent schiet je tegenwoordig vaak met losse flodders wanneer je een beroep doet op ‘harde’ ruimtelijke regeltjes uit wetten of verordeningen. Maar wanneer je je munitie haalt uit ‘zachtere’ ruimtelijke visies of beleidsregels, dan kun je wellicht eerder met scherp schieten.

Het lijkt ietwat een paradox, maar toch zou je deze (voorzichtige) conclusie kunnen trekken uit een zeer recente uitspraak (vorige week) van onze hoogste bestuursrechter.

Voor de andere kant van de tafel (gemeente) betekent dit dat men niet te snel naar de relativiteitseis moet wijzen wanneer een concurrent van een initiatiefnemer van een ruimtelijk plan ageert tegen dit plan.

Echte probleem?
Stel, je concurrent verkrijgt in een bestemmingsplan de aanduiding ‘supermarkt’ en dat zie jij natuurlijk helemaal niet zitten. Je stapt daarom naar de rechter. Maar tegenwoordig moet er wel een verband zijn tussen jouw beroepsgronden en jouw échte of achterliggende reden om dit bestemmingsplan aan te vechten. Alleen dan kan de rechter het besluit vernietigen.

Met een duur woord heet dit het ‘relativiteitsvereiste’ en is terug te vinden in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (zie ook het ‘cursusje relativiteitsvereiste in 2 minuten’).

‘Vroeger’ kon je het ruimtelijk besluit met hagel beschieten. ‘Roept u maar, wij toetsen dan wel of uw beroepsgronden hout snijden.’ Dat is nu wel afgelopen. Vandaag wordt door de rechter de volgende vragen gesteld: ‘Wat is nu echt uw belang om deze nieuwe supermarkt tegen te houden? Op welke regel beroept u zich? En is deze regel ook bedoeld om uw belang te beschermen?.’

Veel beroepsgronden van concurrenten sneuvelen al in een vroegtijdig stadium omdat er niet of nauwelijks een ruimtelijk regeltje uit onze omgevingswetten of –verordeningen (algemeen verbindende voorschriften dus) is te bedenken die bedoeld is om hun belangen te beschermen. En al zeker niet wanneer het eigenlijk gaat om concurrentiebelangen.

Een voorbeeldje: wanneer voor jouw concurrent een ontheffing van de parkeernormen in de zin van (artikel 2.5.30, vierde lid, van) de Bouwverordening is verleend en hij – in jouw ogen – dan een concurrentievoordeel krijgt, dan zal je dat in beroep niets opleveren. Het ruimtelijk besluit waarvoor deze ontheffing is verleend zal daardoor niet zijn Waterloo vinden. Deze ontheffing van de Bouwverordening is immers niet bedoeld om jouw concurrentiebelang te beschermen (ABRvS 11 september 2013, 201203731/1/A1).

Echte munitie
Maar kijk nou eens of je je echte en oprechte belangen niet terug kunt vinden in (concrete) gemeentelijke en/of provinciale beleidsstukken of visies. Daar zit de echte munitie (en nogmaals: bekeken door de bril van een concurrent). Denk hierbij natuurlijk vooral aan het detailhandelsbeleid van je gemeente.

Een beetje detailhandelsbeleid is er immers op gericht om het winkelgebied te laten floreren door leegstand te bestrijden en – zoals dat dan heet – onderbrekingen van het winkelfront tegen te gaan. Winkelgebieden moeten een compacte structuur met aaneengesloten winkelwanden hebben. Vrij vertaald: het winkelcentrum nodigt niet uit om eens gezellig te shoppen wanneer de helft van de winkels leeg staat. Dat moeten we dus bestrijden.

Wanneer je in beroep dan aantoont dat er in je omgeving al sprake is van leegstand en dat je bang bent dat met de nieuwe supermarkt dit alleen maar erger wordt, dan heb je wel een écht belang in deze beroepszaak. En dát belang wordt ook beschermd door het detailhandelsbeleid.

Ik vermoed daarom dat in de toekomst detailhandelsbeleidsstukken en –visies zich kunnen verheugen in de warme(re) belangstelling van het concurrerend bedrijfsleven.

Bron: ABRvS 16 april 2014, 201306762/1/R3

Frank HabrakenTip: hoe kun je als concurrent de drempel van de relativiteitseis in ruimtelijke procedures overwinnen?