Nieuws

Geen twijfel meer mogelijk: bestemmingsplannen kunnen onze karakteristieke panden beschermen

Rechter doet wat de wetgever nalaat

Je hebt in je gemeente een aantal gebouwen staan die weliswaar nog geen monumentale status hebben, maar die toch karakteristiek zijn in een bepaalde omgeving. Deze gebouwen hebben bijvoorbeeld een bepaalde dakvorm of gevel. Vaak staan deze pareltjes in een oude stadskern. Maar ook in het buitengebied kennen we vaak bepaalde boerderijtypen die beeldbepalend zijn.

Monumenten worden nog beschermd door de Monumentenwet 1988 of door provinciale of gemeentelijke verordeningen, maar voor karakteristieke panden die nog net niet ‘monumentaal’ genoeg zijn, kan de sloophamer dreigen. Hoe geef je nou deze ‘tussencategorie’ van deze cultuurhistorische waardevolle panden een basisbescherming (van de hoofdvorm)?

Klip en klaar
Nou, door onze hoogste bestuursrechter is nu klip en klaar uitgesproken dat je hiervoor het bestemmingsplan kan gebruiken. Je neemt dan in de regels van een bestemmingsplan een vergunningstelsel op met als motief het voorkomen van de sloop van deze cultuurhistorische waardevolle bouwwerken.

Dat is toch niks nieuws onder de zon? Ja en nee. Onze Wet ruimtelijke ordening (Wro) geeft je al de mogelijkheid om in een bestemmingsplan een omgevingsvergunning voor het slopen van bouwwerken te eisen om een ‘verwezenlijkte bestemming te handhaven en te beschermen’ (artikel 3.3 Wro). Dus ook wanneer je met een bepaalde bestemming van een perceel een karakteristiek pand wil beschermen.

Dit sloopvergunningstelsel van een bestemmingsplan voorziet in een omgevingsvergunning in de zin van de Wabo (artikel 2.1, eerste lid, onderdeel g). Alleen nu komt het: het toetsingscriterium van deze omgevingsvergunning zegt helemaal niets over het behoud van karakteristieke panden (artikel 2.16 Wabo). Deze omgevingsvergunning kan immers slechts (?) worden geweigerd indien het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Het motief van deze weigeringsgrond komt uit de koker van de inmiddels vervallen Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. Deze vergunningplicht moest lege gaten in de bebouwing voorkomen, zodat dreigend verval en aantasting van leefbaarheid in bepaalde gebieden konden worden bestreden. Kortom, een cultuurhistorische motief is hier ver te zoeken.

Expliciet
En toch werd en wordt in de praktijk gebruik gemaakt van dit sloopvergunningstelsel in bestemmingsplannen om beeldbepalende panden te beschermen. Zelfs de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed had al in zijn Handreiking Erfgoed en Ruimte op de recente uitspraken van de Raad van State geanticipeerd. En terecht, blijkt nu. Het toetsingscriterium van deze specifieke sloopvergunning (zoals beschreven in artikel 2.16 Wabo) blijkt dus niet uitputtend te zijn.

In het tijdperk vóór de nieuwe Wro mocht je karakteristieke bouwwerken beschermen met een aanlegvergunningstelsel in het bestemmingsplan (ABRvS 26 mei 2004, 200305111/1). En nu mag dat ook met een sloopvergunningstelsel in het bestemmingsplan. Dus ook vanuit historisch perspectief zal deze nieuwe jurisprudentie eigenlijk niet verbazen.

Hetgeen de wetgever in (artikel 2.16 van) de Wabo had moeten doen, doet nu onze hoogste bestuursrechter, namelijk expliciet bepalen dat je karakteristieke bouwwerken kan beschermen met een bestemmingsplan. Naar verluidt wordt dit straks wel expliciet in de Omgevingswet bepaald.

Bron: ABRvS 15 januari 2014, TBR 2014/60 en ABRvS 19 maart 2014, TBR/62, noot

Frank HabrakenGeen twijfel meer mogelijk: bestemmingsplannen kunnen onze karakteristieke panden beschermen