Nieuws

Milieuorganisaties en direct omwonenden zijn de laatste hoeders voor beschermde natuur, dieren en planten

Hoe vaak wordt er niet door tegenstanders van een ruimtelijk plan de Natuurbeschermingswet en de Flora- en faunawet in de strijd gegooid? Soms omdat ze zich oprecht zorgen maken over beschermde natuur en beschermde dieren en planten. Maar af en toe zijn de bedoelingen niet helemaal zuiver en probeert men over de band van deze natuurfacetten het ruimtelijk plan te torpederen.

Maar daar steekt de zogenoemde ‘relativiteitseis’ tegenwoordig een stokje voor (zie ook het ‘relativiteitseis-cursusje in 2 minuten’).

Meest te verliezen
Wil je in beroep tegen een ruimtelijk besluit enigszins kans maken, dan moet je dit besluit aanvallen op zaken die jou rechtstreeks raken. De – in jouw ogen – geschonden rechtsregel moet daarom in het leven zijn geroepen om ook jouw belangen te beschermen. De relativiteitseis dus.

Op zich valt hier wel iets voor te zeggen. Nu moet er een verband bestaan tussen jouw beroepsgrond en jouw échte of achterliggende reden om een besluit in beroep aan te vechten. Dus geen ‘oneigenlijke’ beroepsgronden meer. De wettelijke grondslag hiervoor is terug te vinden in artikel 8:69a Awb.

Besef dan wel dat dit betekent dat er nog maar enkele hoeders overblijven die kunnen opkomen voor beschermde natuur, dieren en planten, wanneer deze (mogelijk) door een ruimtelijk besluit in gevaar komen. Dit zijn echter wel de partijen die voor wat betreft deze omgevingsaspecten het meest te verliezen hebben.

Natuur en landschap
Stel, je hebt een bedrijf en in de buurt van je bedrijf wordt een bestemmingsplan voor woningbouw vastgesteld. Je ziet dit plan helemaal niet zitten, omdat je bang bent dat je bedrijfsactiviteiten worden belemmerd. Dus je gaat in beroep tegen dat bestemmingsplan.

In dat geval heeft het echter weinig zin om te roepen dat er voor het plan eigenlijk een passende beoordeling (en daarmee een planMER) in de zin van de Natuurbeschermingswet (artikel 19j Natuurbeschermingswet 1998) noodzakelijk was. ‘Het plan is daarmee niet uitvoerbaar en die norm van de uitvoerbaarheid beschermt mijn belang!’ Aldus je betoog.

Helaas, die vlieger gaat dus niet op. De Natuurbeschermingswet beschermt ‘slechts’ het algemene belang van natuur en landschap.

Alleen als je dicht in de buurt van een Natura 2000-gebied woont, dan heb je belang bij het behoud van een goede kwaliteit van je leefomgeving, waarvan het natuurgebied deel uitmaakt. In dat geval zijn jouw belangen wel ‘verweven’ met de belangen die de Natuurbeschermingswet beoogt te beschermen (ABRvS 13 juli 2011, TBR 2011/152).

Maar dat is dus heel wat anders dan de bescherming van je bedrijfsbelangen. Die worden door de Natuurbeschermingswet natuurlijk niet beschermd. Het ruimtelijk besluit kan daarom niet met deze beroepsgrond worden vernietigd.

Voor milieuorganisaties die (volgens hun statuten én feitelijke werkzaamheden) opkomen voor deze beschermde natuurgebieden, geldt natuurlijk een heel ander verhaal. Wanneer deze organisaties een beroep doen op de Natuurbeschermingswet, dan zal dit beroep zonder meer inhoudelijk behandeld moeten worden.

Plantjes en diertjes
Terug naar je bedrijf. Volgens jou heeft het bestemmingsplan ook tot gevolg dat vaste verblijfplaatsen van vleermuissoorten, jaarrond beschermde nesten van vogels en/of beschermde plantensoorten worden vernield. Het bestemmingsplan zou daarmee niet uitvoerbaar zijn omdat ontheffingen in de zin van de Flora- en faunawet geen uitkomst voor de beoogde woningbouw bieden. Daarmee doe je dan ook een beroep op de strijdigheid met de regels van de Flora- en faunawet.

Maar ook deze beroepsgrond snijdt geen hout. De Flora- en faunawet beschermt immers bepaalde plant- en diersoorten en hun nesten en vaste rust- of verblijfplaatsen. Niet jouw bedrijfsbelang!

Ook hier hebben slechts direct omwonenden kans om dit punt op de agenda van de bestuursrechter te krijgen. Dus alleen omwonenden die vrezen voor hun directe en kwalitatief goede leefomgeving, doordat beschermde vogeltjes of plantjes door een besluit worden bedreigd, kunnen deze inhoudelijke beroepsgrond naar voren brengen (ABRvS 19 juni 2013, o.a. 201210752/1/A4).

En wat al eerder is gezegd over milieuorganisaties die de belangen van beschermde natuurgebieden behartigen, geldt hier vanzelfsprekend ook. Maar dan gaat het om milieuorganisaties die (volgens hun statuten én feitelijke werkzaamheden) opkomen voor de belangen van beschermde diertjes of plantjes in de zin van de Flora- en faunawet. Vaak zullen deze organisaties overigens opkomen voor de belangen van de Natuurbeschermingswet én de belangen van de Flora- en faunawet.

Laatste hoeders
Kun je dan concluderen dat alleen nog betrokken milieuorganisaties bij ruimtelijke plannen kunnen opkomen voor de belangen van de beschermde natuur, dieren en planten? De laatste hoeders dus?

Daar lijkt het dus wel op, tenzij er omwonenden zijn die bezorgd zijn over hun directe leefomgeving door de (mogelijke) aantasting van deze natuur, dieren en/of planten. Doen zij dat niet en zien (ook) milieuorganisaties deze ruimtelijke plannen over het hoofd, dan kan niemand meer opkomen voor deze natuur, dieren en planten wanneer deze door die plannen (mogelijk) in gevaar worden gebracht.

Bron: onder meer ABRvS 15 januari 2014, 201306580/1/R6

Frank HabrakenMilieuorganisaties en direct omwonenden zijn de laatste hoeders voor beschermde natuur, dieren en planten