Nieuws

‘Vernietigen die hap! De planMER-plicht is niet gecheckt.’ Is dit een fatale beroepsgrond tegen je bestemmingsplan?

Tja, dat is even schrikken. Maar je hoeft je pas echt zorgen te maken wanneer je bestemmingsplan ook daadwerkelijk planMER-plichtig is. In dat geval is het ‘game over’.

Maar het kan natuurlijk ook zijn dat je bestemmingsplan helemaal niet planMER-plichtig is. Alleen kom je er in beroep pas achter dat je dit nooit hebt gecheckt. In dat geval loopt deze fout met een sisser af. Alleen je moet dan wel onze hoogste bestuursrechter alsnog overtuigen dat er echt géén sprake is van een planMER-plicht. Maar hoe doe je dat?

Bepalen planMER-plicht
Goed, je krijgt dus een herkansing en moet alsnog je huiswerk maken. Maar hoe bepaal je die planMER-plicht dan eigenlijk?

Nou, men neme de volgende ‘ingrediënten’:

• Is er sprake van een activiteit als bedoeld in kolom 1 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r.?
• En wat zijn de maximale planologische mogelijkheden van je bestemmingsplan? Betrek hierbij dus ook de wijzigingsbevoegdheden (zie de spelregeltjes hiervoor in ABRvS 17 augustus 2011, 201001918/1/M3).

Wanneer je aan de hand van deze ingrediënten tot de conclusie komt dat in ieder geval de drempelwaarden van de kolom 2 van onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. worden overschreden, ga er dan maar vanuit dat je ruimtelijk plan planMER-plichtig is.

Maar stel nou dat deze drempelwaarden niet worden overschreden, is er dan geen sprake van een planMER-plicht? Nee, die tijd hebben we wel gehad. Zo gemakkelijk is dit niet meer.

De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom in de D-lijst) zijn immers ‘slechts’ gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Maar dat is wat te kort door de bocht. Een klein project in of bij een kwetsbaar natuurgebied kan immers ook belangrijke nadelige gevolgen hebben.

De drempelwaarden van het Besluit m.e.r. zijn – anders dan voorheen – daarom niet meer allesbepalend voor de vraag of er sprake is van een planMER-plicht. Het Europese Hof van Justitie heeft Nederland hiervoor ook op de vingers getikt. Die drempelwaarden zijn namelijk te absoluut (Europese Hof van Justitie van 15 oktober 2009, C-255/08).

Betrek daarom bij je beoordeling of je bestemmingsplan planMER-plichtig is, ook de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. Deze (kwalitatieve) omstandigheden komen uit de koker van bijlage III van de M.e.r.-richtlijn (richtlijnnr. 85/337/EEG). Inmiddels is deze verplichting ook geland in het Besluit m.e.r. (artikel 2, vijfde lid). Deze toets noemen we ook wel de (informele) ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

O ja, vergis je niet. De vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft geen ondergrens voor wat betreft de omvang van de activiteit. Wel is het bij activiteiten met een kleine omvang natuurlijk gemakkelijker te onderbouwen dat het met de milieu-impact wel meevalt. Tenzij die kleine activiteit dicht bij een kwetsbaar natuurgebied ligt natuurlijk. Dan moet je onderbouwing weer wat ‘dikker’ zijn.

Kortom, vormt je bestemmingsplan een kader voor een activiteit die wordt genoemd op de D-lijst van het Besluit m.e.r. en valt deze activiteit beneden de drempelwaarden? Wees dan slim en voer een vormvrije m.e.r.-beoordeling uit. Uiteraard bij voorkeur voordat je begint met de bestemmingsplanprocedure.

Overigens is er ook sprake van een planMER-plicht wanneer er een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (artikel 7.2a Wet milieubeheer). Zie voor een aantal tips over dit onderwerp ABRvS 18 juli 2012, TBR 2012/166, noot.

Consequenties verzuim check planMER-plicht
Terug naar de beroepsfase. In jouw zaak wijst de appellant de Afdeling dus op het feit dat je met je bestemmingsplan toch wel een steek hebt laten vallen. De vraag of er sprake is van een planMER-plicht heb je immers nooit de revue laten passeren.

Wanneer je je hoop dan hebt gevestigd op de bestuurlijke lus (afdeling 8.2.2.a Awb), waarmee je nog een herkansing van deze bestuursrechter krijgt om deze fout in je ruimtelijk plan te repareren, dan kan dit nog wel eens ijdele hoop zijn.

Zeker wanneer – in beroep al duidelijk – blijkt dat je bestemmingsplan inderdaad planMER-plichtig is. Je handelt dan in strijd met artikel 7.26c, eerste lid van de Wet milieubeheer. Het stadium van de planprocedure waarop een planMER aanwezig moet zijn en de uitkomsten van de planMER die bepalend kunnen zijn voor je afweging in het vaststellingsbesluit van je bestemmingsplan spelen hierbij een cruciale rol. Een bestuurlijke lus is dan echt niet aan de orde. Wat rest is een vernietigend oordeel voor je bestemmingsplan (ABRvS 29 februari 2012, JM 2012/52).

Maar mocht de planMER-plicht in beroep nog twijfelachtig zijn, dan zal de Afdeling jou (over het algemeen) een 2e kans geven. Via de bestuurlijke lus krijg je dan de gelegenheid om alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling te verrichten (ABRvS 8 februari 2012, JM 2012/34).

En dan maar hopen dat er niet alsnog een planMER-plicht uitkomt. Mocht dat immers wel het geval zijn, kijk dan niet raar op wanneer je bestemmingsplan toch wordt vernietigd. Alsnog ‘game over’.

Bron: bovenstaande bronnen en ABRvS 19 december 2012, TBR 2013/43, noot

Frank Habraken‘Vernietigen die hap! De planMER-plicht is niet gecheckt.’ Is dit een fatale beroepsgrond tegen je bestemmingsplan?