Nieuws

Mini-handleiding voor soepele bestemmingsplannen (deel I): de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid

Om een bestemmingsplan lekker soepel te houden, kun je het plan voorzien van de nodige binnenplanse afwijkingsmogelijkheden. Maar waar moet je dan op letten?

Wat kun je ermee?
Je kunt deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (artikel 2.12 Wabo) alleen gebruiken voor ondergeschikte onderdelen van het plan. Denk hierbij bijvoorbeeld aan mogelijkheden om af te wijken van bebouwingsregels, zoals bouw- en goothoogte.

Maar ook een gebruikswijziging binnen bijvoorbeeld de bestemming “Bedrijf” kun je met deze afwijkingsbevoegdheid regelen. Vaak wordt hier dan als voorwaarde gesteld dat het nieuwe gebruik niet meer impact mag hebben op de omgeving.

Alleen wanneer de gewenste afwijking niet meer ondergeschikt is, dan moet je dit ‘bij recht’ (dus rechtstreeks toestaan) of je moet hiervoor een wijzigingsbevoegdheid (artikel 3.6, eerste lid Wro) gebruiken (ABRvS 6 april 2011, 201004628/1/R3).

Zo mag je met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet de bestemming wijzigen die op de verbeelding staat. Ook mag de afwijkingsregeling niet het effect hebben dat je feitelijk de bestemming van de gronden wijzigt (ABRvS 6 juni 2012, 201103851/1/T1/R1). En verder mag je ook niet de plangrenzen wijzigen met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (ABRvS 26 januari 2011, 201000105/1/R1).

Kaders
Ook vinden de bestuursrechters het altijd belangrijk dat je duidelijke kaders stelt bij deze afwijkingsbevoegdheden. Burgers moeten immers weten waar ze aan toe zijn. Rechtszekerheid noemen we dat. Die kaders voor de binnenplanse afwijkingsbevoegdheden moet je dan ook opnemen in de regels van je bestemmingsplan, niet in de toelichting (ABRvS 12 april 2001, AB 2003, 50).

Geef dus aan wanneer en onder welke voorwaarden van deze bevoegdheid gebruik mag worden gemaakt. Doe dat met objectieve (kwantitatieve en kwalitatieve) normen (ABRvS 22 februari 2012, 201003351/1/T1/R4, BR 2012,72).

Onderzoeksplicht?
Wanneer je een bestemmingsplan opstelt, vergeet dan niet dat de benodigde onderzoeken ook de binnenplanse afwijkingsmogelijkheden moeten omvatten. Dit wordt nog wel eens over het hoofd gezien. Deze onderzoeksplicht kun je dus niet doorschuiven naar het moment dat je daadwerkelijk gebruik maakt van deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheden.

Dit is natuurlijk ook gemakkelijk te verklaren, omdat de afwijkende bouwregels of gebruiksactiviteiten in beginsel planologisch aanvaardbaar (en uitvoerbaar) worden geacht, wanneer je deze mogelijkheden biedt met binnenplanse afwijkingsbevoegdheden. Hierbij hoort dan ook een afweging over bijvoorbeeld geluidseffecten of luchtkwaliteit.

Dit past ook in het plaatje van – bijvoorbeeld – artikel 5.16 Wet milieubeheer. Hier staat een limitatieve lijst wanneer je in je besluit rekening moet houden met luchtkwaliteit. En hier staat een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet bij. Dit betekent dus dat wanneer je een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in je bestemmingsplan opneemt het luchtkwaliteitsonderzoek voor vaststelling daarvan moet zijn uitgevoerd.

Maar ook al staat in een sectorale wet dat je een onderzoek moet verrichten zodra je gebruik maakt van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, dan moet je dit evengoed bij de vaststelling van het bestemmingsplan afwegen. Je moet immers bij de vaststelling van het bestemmingsplan al hebben afgewogen of ook de mogelijkheden van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid planologisch aanvaardbaar zijn.

Gedaantewisseling
De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid heeft de afgelopen jaren al wat gedaantewisselingen ondergaan. Van binnenplanse vrijstelling (artikel 15 WRO), naar binnenplanse ontheffing (artikel 3.6 Wro) en nu als omgevingsvergunning (artikel 2.12 Wabo).
Is er inhoudelijk iets veranderd dan? Nee, dat was en is nooit de bedoeling van de wetgever geweest. De bovenstaande aandachtspunten gelden dus nog steeds.

Bron: ABRvS 18 juli 2012, JM 2012/135, noot

Frank HabrakenMini-handleiding voor soepele bestemmingsplannen (deel I): de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid