Nieuws

Duivelse dilemma’s in het omgevingsrecht vinden niet altijd hun antwoord bij onze hoogste bestuursrechter

Afgelopen woensdag had ik een uitspraak van de Afdeling verwacht over een interessant bestuursrechtelijk dilemma. In hoeverre mag je als burger erop vertrouwen dat jouw fusiegemeente de besluiten respecteert van een van de ‘oude’ gemeenten?

Ik had mijn verwachting gebaseerd op de ‘mediagevoelige uitspraken’ die op maandag worden aangekondigd. Hierin werd dit dilemma namelijk prominent genoemd.

Wat was er aan de hand?

Groen licht permanente bewoning recreatiewoningen
Net voordat een kleine gemeente opgaat in een fusiegemeente, geeft de raad in deze zaak in een bestemmingsplan groen licht voor permanente bewoning van recreatiewoningen in een prachtig recreatiegebied.

Rood licht permanente bewoning recreatiewoningen
Na de fusie gaat het roer echter om. De gemeenteraad van de fusiegemeente ziet de permanente bewoning van recreatiewoningen helemaal niet zitten. Het permanent bewonen van recreatiewoningen wordt in een nieuw bestemmingsplan verboden.

De nieuwe raad probeert de pijn nog enigszins te verzachten door in het bestemmingsplan persoonsgeboden overgangsrecht op te nemen.

Rood hoofd & gebalde vuistjes
De Vereniging van Eigenaren (VvE) van de recreatiewoningen neemt hier echter geen genoegen mee en klimt in de pen met een rood hoofd en gebalde vuistjes (nog niet zo makkelijk schrijven trouwens).

‘De rechtszekerheid is ver te zoeken en ons vertrouwen is geschaad! Je moet er toch op kunnen vertrouwen dat de nieuwe fusiegemeente de besluiten van de ‘oude’ gemeente respecteert?’ Aldus de VvE.

Bestemmingsplan door de shredder
De VvE vindt gehoor bij de Afdeling. Het permanent bewonen van recreatiewoningen was immers op grond van het vorige bestemmingsplan volkomen legaal.

Nu kun je wel een planologische draai van 180 graden maken en het permanente bewonen van recreatiewoningen ineens de illegaliteit injagen, maar dan moet het wel aannemelijk zijn dat de nieuwe bestemming ook binnen 10 jaar werkelijkheid wordt en de recreatiewoningen dus niet meer permanent worden bewoond. En dat was niet het geval.

Gevolg: het bestemmingsplan was in strijd met de rechtszekerheid vastgesteld en ging dus door de shredder.

Persoonsgebonden overgangsrecht
Overigens, wanneer je in een nieuw bestemmingsplan met ‘persoonsgebonden overgangsrecht’ een uitzondering maakt op het verbod om recreatiewoningen permanent te bewonen, dan is dat op zich een nobel gebaar, maar die vlieger ging hier helaas niet op.

Je kunt dit instrument van persoonsgebonden overgangsrecht immers alleen gebruiken wanneer het gebruik (in dit geval het permanent bewonen van recreatiewoningen) ook in strijd was met het voorgaande plan. En dat was in deze zaak niet zo.

Het bestemmingsplan was dan ook in strijd met artikel 3.2.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Dat was en is ook een kwestie van lezen natuurlijk. Hetgeen de Afdeling hierover zegt, staat ook letterlijk in artikel 3.2.3 Bro.

Spijtig voor de praktijk
Gelet op het bovenstaande was het een uitgemaakte zaak.

En toch is het jammer dat je dan op het eind van de uitspraak leest: ‘De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.’

Het zal wellicht uit pragmatische overwegingen zijn dat de Afdeling dit wel eens uitspreekt, maar voor de praktijk is dit toch niet handig. Je wil als gemeente toch weten waar je aan toe bent wanneer je een bestemmingsplan na een vernietigend oordeel van de Afdeling opnieuw in procedure brengt.

Nu zal dit voor de onderhavige zaak niet zo snel spelen, omdat het (ook niet met een nieuwe poging) kennelijk niet te bewijzen is dat de permanente bewoners van de recreatiewoningen na 10 jaar vertrokken zijn. Maar voor andere zaken die wel nog te repareren zijn, is deze werkwijze spijtig.

Ook voor de rechtspraktijk in het algemeen. Zo was ik toch wel benieuwd geweest wat het oordeel van de Afdeling was geweest over het beroep van de VvE op het vertrouwensbeginsel. Het ‘duivelse dilemma’ blijft onbeantwoord.

Maar goed. Dat is mijn bescheiden mening.

Bron: deze week bepaald in ABRvS 13 juni 2012, 201105656/1/R1

Frank HabrakenDuivelse dilemma’s in het omgevingsrecht vinden niet altijd hun antwoord bij onze hoogste bestuursrechter