Nieuws

Bij tracébesluiten voor autosnelwegen staat de norm van een ‘goede ruimtelijke ordening’ sinds kort buitenspel (?!)

Met een tracébesluit voor een stuk autosnelweg hoef je geen rekening (meer) te houden met een ‘goede ruimtelijke ordening’. Dit opvallende oordeel is op 30 november jl. uitgesproken door de Afdeling.
Toegegeven, de norm van een ‘goede ruimtelijke ordening’ komt weliswaar niet terug in de Tracéwet, maar de koers van de Afdeling is – zonder tekst en toelichting – met 180 graden gewijzigd.

Wanneer het ging om het tracébesluit van de A-50 Valburg-Grijsoord (ABRvS 28 juli 2010, 200902071/1) en het tracébesluit van de A-28 Zwolle-Meppel (ABRvS 6 april 2011, 200907396/1) moest de norm van de ‘goede ruimtelijke ordening’ nog wél bij deze besluiten worden betrokken.

De koerswijziging rijmt ook niet goed met de spelregels van de Tracéwet zelf. Wanneer een tracébesluit immers niet overeenstemt met een bestemmingsplan, dan geldt het tracébesluit immers van rechtswege als een omgevingsvergunning om af te wijken van een bestemmingsplan (artikel 13, lid 4 Tracéwet). En een dergelijke omgevingsvergunning moet altijd vergezeld zijn van een ‘goede ruimtelijke onderbouwing’ (andere verschijningsvorm van een ‘goede ruimtelijke ordening’).

Verder is een gemeenteraad verplicht om binnen 1 jaar nadat het tracébesluit onherroepelijk is geworden, het bestemmingsplan geheel overeenkomstig het tracébesluit vast te stellen (artikel 13, lid 10 Tracéwet). Een tracébesluit zou daarom gewoon getoetst moeten worden aan de norm van een ‘goede ruimtelijke ordening’.

Maar goed, de Afdeling is nu een andere mening toegedaan en dat oordeel is toch leidend.

Bron: ABRvS 30 november 2011, TBR 2012/30, noot (februari 2012)

Frank HabrakenBij tracébesluiten voor autosnelwegen staat de norm van een ‘goede ruimtelijke ordening’ sinds kort buitenspel (?!)