Nieuws

Wanneer moet je nu bouwplannen rechtstreeks bestemmen in een bestemmingsplan?

Bij vage bouwplannen: dan mag je het zelf weten. Bij concrete bouwplannen: rechtstreeks bestemmen! Hoe dan ook, denk aan je motiverings- en onderzoeksplichten. Dat is het verhaal in grove lijnen.

Je moet als raad van goede huize komen om een concrete ontwikkeling niet rechtstreeks in een bestemmingsplan toe te staan. Het is overigens niet verplicht de wens van een grondeigenaar te honoreren (beleidsvrijheid noemen ze dat), maar ben dan wel zo slim om dit te motiveren.

Rechtszekerheid is het devies
Een grondeigenaar wil natuurlijk liever dat (bijvoorbeeld) zijn woning rechtstreeks in het bestemmingsplan is toegestaan. Een omgevingsvergunning voor het afwijken van dit bestemmingsplan (binnen- of buitenplans) brengt nog de nodige onzekerheid met zich mee. Een extra procedure is dan immers noodzakelijk.

Rechtszekerheid is hierbij het devies, omdat:
• de grondeigenaar zekerheid wil of hij zijn woning ook mag bouwen;
• je net zo goed nu al (in het bestemmingsplan zelf) de belangen van de buren kan afwegen;
• en de planregeltjes voor de woning ook direct in het bestemmingsplan kunt meenemen.

Wat te doen?
Hoe concreter de bouwplannen, hoe minder gemakkelijk je deze ontwikkeling kan uitstellen (door deze ontwikkeling ‘slechts’ in een flexibiliteitsbepaling van een bestemmingsplan op te nemen).
Bestem de ontwikkeling dan positief. Zeker wanneer de grondeigenaar zo goed was om de onderbouwing al in hapklare brokken aan te reiken (ABRvS 9 februari 2011, 201001164/1/R3).
Wanneer een bouwplan in de kinderschoenen staat, dan kun je je die moeite besparen. Je hoeft deze prille ontwikkeling dan niet positief te bestemmen (ABRvS 29 december 2010, 201003190/1/R1).

Eenvoudig ‘meeliften’ met ambtshalve bestemmingsplannen?
Indien je concrete nieuwe ontwikkelingen in je bestemmingsplan meeneemt, dan moet natuurlijk (in het kader van een goede ruimtelijke ordening) ook duidelijk zijn wat de ruimtelijke en milieuhygiënische gevolgen daarvan zijn.

Wanneer bestemmingsplannen echter ambtshalve (en dus niet op aanvraag) worden vastgesteld, wees er dan op bedacht dat jij (namens de raad) moet onderzoeken (artikel 3:2 Awb) of nieuwe ontwikkelingen ruimtelijk en milieuhygiënisch door de beugel kunnen (zie ook ABRvS 14 september 2011, JM 2011/139, november 2011).

Deze onderzoeksplicht rust dus niet op de initiatiefnemer. Hij hoeft tijdens de bestemmingsplanprocedure eigenlijk alleen maar aan te tonen (dat kan zelfs in de vorm van een zienswijze zijn) dat hij een concreet bouwvoornemen heeft. Zeker als je dit ook nog eens in je inspraak- of zienswijzennota hebt erkend.

Bron: onder meer ABRvS 7 december 2011, 201000966/1/R3 en ABRvS 19 januari 2011, BR 2011/55 (april 2011)

Frank HabrakenWanneer moet je nu bouwplannen rechtstreeks bestemmen in een bestemmingsplan?