Nieuws

Hoe het tragische lot van ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’ in de loop der tijd leidt tot een weigering van een bouwvergunning

Gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Het komt er op neer dat de vergunningvrije status van álle bouwwerken, geen gebouwen zijnde, door de tijd én het vergunningplichtregime is ingehaald.

De voor- en tegenspoed van bouwwerken, geen gebouwen zijnde
We gaan een klein stapje terug in de tijd. Het is het jaar 1951. In een tijd waar alleen gebouwen de ‘last’ van het vergunningplichtige regime droegen. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde waren vergunningvrij als een vogel.

Later, in het jaar 1962, was het afgelopen met de pret. Ook de bouwwerken, geen gebouwen zijnde werden onderworpen aan het strenge vergunningplichtig regime (artikel 48, eerste lid Woningwet 1962 in samenhang met artikel 47, eerste lid Woningwet 1962).

Vervroegde vrijlating was er niet bij. Het regime duurde voort en werd verlengd in de Woningwet van 1991 (artikel 44, eerste lid Woningwet 1991 in samenhang met artikel 40, eerste lid Woningwet 1991). Enzovoorts.

Pas in de laatste jaren worden (door het ‘regime’) de teugels enigszins gevierd. Steeds meer bouwwerken, geen gebouwen zijnde komen (vergunning)vrij.

Terug naar het nu
Wanneer dan in onze tijd een Uitbreidingsplan (bestemmingsplan) uit het jaar 1951 leidt tot een weigering van een bouwvergunning voor een bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dan kan de gedupeerde appellant geen beroep meer doen op het vergunningvrije regime van 1951.

Het bouwvergunningregime houdt immers sinds 1962 ook bouwwerken, geen gebouwen zijnde in een ‘houdgreep’ (ABRvS 13 februari 2008, 200704522/1). Dit betekent dus dat je met deze vergunningplicht ook moet toetsen aan het planologisch regime.

De bouwwerken, geen gebouwen zijnde moeten zelfs worden getoetst aan uitbreidingsplannen van vóór 1 augustus 1965. Ook al kenden deze uitbreidingsplannen geen specifieke regelingen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, je moet toch toetsen of deze bouwwerken niet in strijd zijn met de bestemmingen zoals die in deze uitbreidingsplannen zijn opgenomen (ABRvS 17 januari 1983, BR 1983, 344 en ABRvS 6 augustus 1984, BR 1984, 884).

Kijk hiervoor dus naar de plankaart, het renvooi en de voorschriften. De concrete inhoud en strekking daarvan zijn doorslaggevend.
In deze zaak stond het Uitbreidingsplan alleen bedrijfsgebouwen en dienstwoningen toe. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn, in het licht van het regime sinds 1962, uit den boze.

Weliswaar had de bestemmingsplanwetgever deze bouwwerken niet expliciet geweerd in het Uitbreidingsplan, omdat deze destijds vergunningvrij waren, maar de tijden zijn (zoals gezegd) veranderd.

De aangevraagde bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn dus – nu wel – in strijd met het planologisch regime. De bouwvergunning is terecht geweigerd.

“Dit was andere tijden, terug naar de onze.”

Bron: ABRvS 12 oktober 2011, 201102878/1/H1

Frank HabrakenHoe het tragische lot van ‘bouwwerken, geen gebouwen zijnde’ in de loop der tijd leidt tot een weigering van een bouwvergunning