Nieuws

Het ‘Crisis- en herstelwet-verbod’ van een pro forma beroepschrift is een wassen neus.

Aan (de motivering van) een beroepschrift mag je niet te hoge eisen stellen (in lijn met ABRvS 1 juni 2011, 201009559/1/H2). Als een appellant iets meer ‘roept’ dan strijd met het recht en/of beginselen en hij verwijst niet alleen naar eerdere stukken, dan zit hij vaak al goed. Dit geldt dus ook voor een beroepschrift tegen ‘Crisis- en herstelwet-projecten’.

Je kunt je dan ook afvragen of het verbod van een pro forma beroepschrift van de Crisis- en herstelwet (artikel 1.6, lid 2 en artikel 1.6a) een wassen neus is. Ook uit een ‘slecht’ onderbouwd beroepschrift mét beroepsgronden moet een rechter immers maar kunnen inschatten waar de ‘pijn’ bij de eiser zit.

Anderzijds is het natuurlijk wel zo dat de Crisis- en herstelwet van burgers of milieuorganisaties verwacht dat ze binnen 6 weken het hele project doorgronden. Hierbij past dan ook de ‘milde’ eis dat de kwaliteit van een beroepschrift niet meteen een ruime voldoende moet krijgen.

Feit is dat je na de beroepstermijn geen nieuwe beroepsgronden mag aanvoeren (artikel 1.6a Crisis- en herstelwet). Wél is het mogelijk om beroepsgronden in een later stadium aan te vullen met nieuwe argumenten.

Bron: ABRvS 1 juni 2011, BR 2011/123, noot (augustus 2011)

Frank HabrakenHet ‘Crisis- en herstelwet-verbod’ van een pro forma beroepschrift is een wassen neus.