Nieuws

Hét huzarenstuk in de bestemmingsplanpraktijk! Het alternatieven- / locatieonderzoek in een planMER. Een aantal tips:

• Kijk niet te veel in de wet. Daar heb je niet zoveel aan. De wet geeft immers allesbehalve een duidelijk handvat: in een planMER moeten ‘‘redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatieven’’ worden beschreven (artikel 7.7 Wet milieubeheer).

• Ook de Afdeling geeft toe, dat deze materie geen gemakkelijke kost is (ABRvS 21 juli 2009, 200801853/1/R2).

• De aard van de alternatieven volgt uit het detailniveau en de aard van het te nemen besluit waarvoor een m.e.r. wordt gedaan.

• De omvang of reikwijdte van het onderzoek is – als zo vaak – afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

• Overigens hoef je niet alle alternatieven te beschrijven. Maar je moet dan wel motiveren waarom een bepaald alternatief niet wordt meegenomen (ABRvS 28 april 2004, 200301537/1).

• Een goede motivatie om een bepaald alternatief niet te beschrijven, is bijvoorbeeld dat dit alternatief niet voldoet aan de doelstelling van het project (ABRvS 23 juli 2008, 200700908/1 en ABRvS 22 november 2006, JM 2007/ 14). Of dat het alternatief niet verschilt wat betreft de milieugevolgen (ABRvS 28 mei 2008, JM 2008/ 79). Of dat een alternatief veel duurder is dan de overige alternatieven (ABRvS 23 juli 2008, 200700908/1 en ABRvS 30 januari 2008, JM 2008/ 32, ABRvS 25 februari 2009, JM 2009/72, noot).

• Wanneer je voor – bijvoorbeeld – glastuinbouw een planMER maakt, kijk dan ook wat een streekplan of een reconstructieplan over glastuinbouw zegt. Daarmee wordt het zoekgebied al afgebakend.

• Ga ook uit van een optimale ruimtelijke inrichting van de glastuinbouw. Op deze wijze worden eventueel aanwezige waarden ook in acht genomen.

• Verder kun je bij de selectie van potentieel geschikte locaties in de planMER een aantal uitsluitende criteria toepassen. Zo wil je bijvoorbeeld niet dat glastuinbouw gerealiseerd wordt in steden en natuurgebieden.

• Maak vervolgens op juiste wijze een selectie van locaties die potentieel geschikt zijn.

• Uiteindelijk hou je dan een aantal locaties over die je toetst op – onder meer – haalbaarheid.

• Al met al vindt op deze wijze een goede en transparante wijze ‘trechtering’ van (locatie)alternatieven plaats. Zo kun je in de MER voldoende onderbouwen hoe je tot de gekozen locatie bent gekomen. Dit sluit ook volledig aan bij de huidige m.e.r.-praktijk en de wijze waarop de Commissie voor de m.e.r. toetst (onder meer ABRvS 23 september 2009, JM 2009/142).

• Soms moet het zoekgebied niet bij de gemeentegrens worden afgebakend. Zeker wanneer een project een regionale functie vervult, dan moet het alternatievenonderzoek verder reiken dan het grondgebied van de gemeente (ABRvS 21 juli 2009, 200801853/1/R2. De Afdeling baseert dit op Kamerstukken uit 1980!).

• Wil je een illegale, plan-MER-plichtige en ongewenste situatie toch positief bestemmen, dan worden er meer eisen aan het alternatievenonderzoek gesteld. De huidige locatie heeft dan immers niet de voorkeur. Een verplaatsing ligt dan voor de hand. Je zult dan in ieder geval ‘gestructureerd onderzoek’ naar alternatieve locaties moeten doen (ABRvS 3 maart 2010, 200806422/1/R1).

• Als er echt geen alternatieve locaties zijn, dan kun je in een planMER voor een ruimtelijk besluit volstaan met een projectMER (inrichtings-MER). Geef dan in de planMER wel ‘even’ aan waarom er geen alternatieve locaties zijn (ABRvS 29 juni 2011, JM 2011/101, noot).

• Je maakt aan de Kneuterdijk in ieder geval wel goede sier wanneer je de locatiealternatieven in een vrijwillige MER onderzoekt en in een formeel besluit aftikt. In de officiële MER hoef je deze locaties dan niet opnieuw de revue te laten passeren (ABRvS 22 juni 2011, 200905028/1/M3).

Bron: zie de bovenstaande rechtsbronnen.

Frank HabrakenHét huzarenstuk in de bestemmingsplanpraktijk! Het alternatieven- / locatieonderzoek in een planMER. Een aantal tips: