Nieuws

10 tips om op het gebied van archeologie geen “historische fouten” te maken in een bestemmingsplan:

1. Hou bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening met archeologie (art. 38a Monumentenwet 1988). Beschrijf onder meer in de toelichting van het bestemmingsplan hoe je dat doet (art. 3.1.6, lid 2 onder a Bro). Voordat je in het gebied bestemmingen aanwijst, win dus voldoende informatie in over archeologie in dit gebied (vaste jurisprudentie).
2. Het onderzoek dat nodig is voor de bescherming van archeologie kan bestaan uit het raadplegen van het kaartmateriaal (Kamerstukken II 2003/04, 29 259, nr. 3, p.46.
3. Wanneer het kaartmateriaal echter niet goed genoeg is, verricht dan proefboringen of proefsleuven. Vertrouw in ieder geval niet op het kaartmateriaal, wanneer in het plangebied al flink in de grond is gewroet (zie bijvoorbeeld ABRvS 15 april 2009, 200708872/1).
4. Als je een dubbelbestemming ‘archeologische waarden’ toekent, motiveer dan ook waarom dit noodzakelijk is om de (aanwezige of te verwachten) archeologie in het plangebied te beschermen (zie onder meer ABRvS 17 november 2010, 200905029/1/R1).
5. Een bestemmingsplan kan bepalen dat de aanvrager van een omgevingsvergunning met een rapport de archeologische waarde van het plangebied vaststelt. Aldus artt. 39, 40 en 41 Monumentenwet. Deze artikelen staan overigens buitenspel bij projecten die kleiner zijn dan 100 m2 (art. 41a Monumentenwet 1988). De raad kan zelfs nog een andere oppervlakte hiervoor vaststellen.
6. Voor de goede orde: het inwinnen van informatie over archeologie blijft een verplicht nummertje. Niet alleen moeten de bestemmingen uitvoerbaar zijn, maar de financiële lasten moeten voor de grondeigenaar of gebruiker zo veel mogelijk voorzienbaar en vermijdbaar zijn (ABRvS 17 november 2010, 200905029/1/R1).
7. Alleen bij ‘conserverende’ agrarische bestemmingen, waarbij het agrarisch gebruik niet wordt gefrustreerd door de archeologische dubbelbestemming, mag je de grondeigenaar laten opdraaien voor de kosten van archeologisch onderzoek. Kostenverhaal (grondexploitatiewet) bij een conserverend bestemmingsplan is immers ook niet aan de orde. Het verhalen van deze kosten past echter wel in het ‘plaatje’ van de wetgever, namelijk dat de verstoorder van het bodemarchief bijdraagt aan de kosten van het (aanvullend) archeologisch onderzoek. Voor een geheel buitengebied is het ook te kostbaar en gaat het te ver om met boringen of proefsleuven verwachtingswaarden om te zetten in bekende waarden (ABRvS 9 december 2009, 200801932/1 en 29 september 2010, 200809200/1/R2).
8. Als het bestemmingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen, stelt de Afdeling meer eisen aan de onderzoeksplicht. Het moet namelijk aannemelijk zijn dat deze ontwikkelingen ook uitvoerbaar zijn (zie ook ABRvS 5 januari 2011, 201002329/1/R3).
9. ‘Doorschuiven’ naar de uitvoeringsfase is ook mogelijk, wanneer je door technische beperkingen in het plangebied slechts beperkt archeologisch onderzoek kunt uitvoeren. Het moet wel aannemelijk zijn dat het plan vanwege de (aanwezige of te verwachten) archeologie uitvoerbaar is (ABRvS 16 februari 2011, 201002409/1/R3 en 23 februari 2011, 201001393/1/R3).
10. Tot slot: wanneer voor een wijzigingsbevoegdheid archeologische vervolgonderzoeken (proefboringen of proefsleuven) noodzakelijk zijn, schuif deze onderzoeken met de vaststelling van het ‘moederplan’ dan niet door wanneer B&W gebruik maken van deze wijzigingsbevoegdheid. De ruimtelijke aanvaardbaarheid en uitvoerbaarheid van de wijzigingsbevoegdheid is dan niet onderbouwd (ABRvS 17 november 2010, 200905029).

Bron: onder meer ABRvS 26 januari 2011,
BR 2011/71, noot (mei 2011)

Frank Habraken10 tips om op het gebied van archeologie geen “historische fouten” te maken in een bestemmingsplan: