Nieuws

Pleidooien over oprekken richtafstanden ‘Bedrijven en milieuzonering’ met de westenwind mag je in de wind slaan

Afstand houden. Maar vandaag nu eens niet in de ‘corona-context’. Nee, ik bedoel ‘afstand houden’ tussen belastende en gevoelige functies. En wel binnen het kader van ons prachtige vak, het omgevingsrecht.

Afstand houden, zonering, in ons vak ook wel beter bekend als ‘milieuzonering’. Milieuzonering is een van de belangrijkste pijlers waarop dé wettelijke eis voor ieder ruimtelijk besluit, een ‘goede ruimtelijke ordening’ is gebaseerd.

Enthousiast college

Een simpel voorbeeldje. Stel, iemand wil een kinderdagverblijf beginnen. Ergens in een rustig stukje van het buitengebied. De plannen zijn ambitieus. De initiatiefnemer wil dagopvang bieden voor maximaal 32 kinderen in de leeftijdscategorie van 0 tot 4 jaar.

Voor dit kinderopvangverblijf is er een omgevingsvergunning nodig. De initiatiefnemer wil namelijk bouwen in afwijking van het bestemmingsplan. Gelukkig heeft ie te maken met een enthousiast college, zodat de omgevingsvergunning al snel op tafel ligt.

Maar in dit land hebben we – en dat is maar goed ook – afgesproken dat omwonenden die een bouwplan helemaal niet zien zitten, het recht hebben om dit uiteindelijk aan een (bestuurs)rechter voor te leggen. En dat gebeurt hier ook. De overbuurman van de initiatiefnemer heeft het niet zo op kinderen en zeker niet wanneer dit er 32 zijn, die ook nog eens luidkeels kunnen krijsen.

Tja, feit is dat zo’n kinderopvangverblijf wel wat geluidsoverlast kan veroorzaken. Maar wanneer er voldoende afstand is tussen de woning van de overbuurman en het kinderopvangverblijf hoeven die 32 kinderen geen geluidsoverlast te veroorzaken. Deze zonering werkt dus preventief. Je houdt een scheiding aan tussen functies die zich – vooral wanneer die 32 kindertjes hyperactief zijn – niet met elkaar verdragen.

Deze zonering heeft daarom een ruimtelijk structurerend karakter. En binnen het wettelijk kader van ieder ruimtelijk besluit, namelijk een ‘goede ruimtelijke ordening’, moet dit netjes in dit ruimtelijk besluit worden vastgelegd. Bijvoorbeeld in een ruimtelijke onderbouwing van een omgevingsvergunning of een toelichting van een bestemmingsplan.

Groene boekje

Maar hoe weten we nou welke afstand bepalend is tussen een (milieu)gevoelige en (milieu)belastende functie? Nou, sinds 1986 hebben we hiervoor een handig instrument. Dat is een publicatie van de VNG: Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009). Toen ik begon in dit mooie vak, werd deze publicatie ook wel het ‘Groene boekje’ genoemd.

Dit boekje is een niet te missen gereedschap voor iedere vakidioot binnen het omgevingsrecht. Zorg daarom dat je ‘m in je gereedschapskist hebt.

In de Handreiking ‘Bedrijven en milieuzonering’ tref je voor vrijwel elke bedrijfstak of installatie aan welke milieuonderwerpen (geluid, geur, stof en externe veiligheid) een ‘issue’ kunnen zijn in het ruimtelijk besluit en welke gemiddelde ‘passende’ (richt)afstanden je moet aanhouden tot (bijvoorbeeld) een woning.

Vervolgens wordt aan elk bedrijf een milieucategorie gekoppeld. Die wordt bepaald op de maatgevende (grootste) afstand van een van de milieuonderwerpen. Hoe hoger de milieucategorie, hoe groter de afstand.

Onze hoogste bestuursrechter ziet de Handreiking zelfs (bijna) als pseudo-wetgeving. Je mag er slechts gemotiveerd van afwijken. En die ruimte is er ook wanneer je bedenkt dat de Handreiking uitgaat van ‘richtafstanden’ en ‘gemiddelde bedrijven’. Ook de omstandigheden ter plaatse rechtvaardigen soms grotere of kleinere afstanden. En je staat helemaal sterk wanneer die grotere of kleinere afstanden nader worden onderbouwd met (bijvoorbeeld) een akoestisch- of geuronderzoek.

Nieuwtje

Terug naar het kinderopvangverblijf. De afstand tussen het ‘besluitvlak’ van de omgevingsvergunning voor het kinderopvangverblijf en de (dichtstbijzijnde) gevel van de woning van de overbuurman is 40 meter. In de Handreiking wordt kinderopvang gerekend tot milieucategorie 2. Op grond van de Handreiking mag je daarom – in het ‘rustige buitengebied’ – uitgaan van een aan te houden richtafstand voor geluid van 30 meter. Met die afstand is er dan ook sprake van een ‘aanvaardbare geluidsbelasting’.

Aangezien de overbuurman 40 meter verderop woont, wordt er dus ruimschoots voldaan aan de richtafstand voor geluid. Zolang de overbuurman geen omstandigheden in zijn beroepschrift aanvoert die zijn vrees voor geluidsoverlast nader onderbouwen, is zijn betoog in feite kansloos.

Ja, hij doet nog één poging. “In ons land komt de wind meestal uit het westen. En ik woon ten oosten van het beoogde kinderopvangverblijf. Ik ervaar daarom straks meer overlast!” Aldus de radeloze overbuurman.
Helaas, dit mag hem niet baten. De Raad van State oordeelt dat de westenwind zo vaak in ons land voorkomt, dat ‘daarmee moet worden geacht te zijn rekening gehouden bij de in de VNG-brochure gehanteerde richtafstanden.’

Voor ervaren rotten die al langer meedraaien in dit vak mag dit artikel misschien dan geen ‘eye-opener’ zijn (het artikel is ook eigenlijk bedoeld voor onze collega’s die nog geen of weinig ervaring hebben met de perikelen rond milieuzonering), maar op het eind van het artikel dus toch nog een nieuwtje:

Pleidooien om richtafstanden van de Handreiking nog eens op te rekken door hier de westenwind bij te betrekken, kun je dus in de wind slaan.

ABRvS 24 juni 2020, nr. 201904788/1/R2

Frank HabrakenPleidooien over oprekken richtafstanden ‘Bedrijven en milieuzonering’ met de westenwind mag je in de wind slaan
Lees meer>>

Vergunningvrij bouwen creatief ‘buitenspel’ zetten

Een klassiek conflict in ons omgevingsrecht. In het geding is een bestemmingsplan voor woningbouw. Aangrenzend ligt een glastuinbouwbedrijf. De ondernemer vreest dat de komst van de nieuwe woningen zijn bedrijfsvoering zal belemmeren. De afstand tussen de voorziene woningen en zijn bedrijf is namelijk maar klein.

“Het bestemmingsplan sluit niet uit dat er binnen 10 m. vanaf mijn bedrijf gebouwd kan worden.” Aldus de bezorgde ondernemer.

Bepalend in dit conflict is de richtafstand van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ tussen enerzijds de grens van de bestemming van het glastuinbouwbedrijf en anderzijds de uiterste situering van de gevels van de nieuwe woningen die volgens het bestemmingsplan of – en nou komt ie – via vergunningvrij bouwen mogelijk is (ABRvS 3 juli 2019, nr. 201806978/1/A1).

De afstand tussen het bedrijf en de nieuwe woningen voldoet. Daar zit het probleem niet. Het probleem zit ‘m in het vergunningvrij bouwen in de achtertuinen van de nieuwe woningen.

Wanneer – bijvoorbeeld – een nieuw tuinhuisje bij een van de nieuwbouwwoningen voldoet aan alle voorwaarden van het Besluit omgevingsrecht (artikel 2, derde lid, bijlage II Bor), kan in die achtertuin van deze nieuwbouwwoning gewoon vergunningvrij dat tuinhuisje worden gebouwd.

Tenzij het bestemmingsplan op een of andere manier verbiedt die achtertuin, dit ‘achtererfgebied’ (in de zin van artikel 1, eerste lid, bijlage II Bor) in te richten ‘ten dienste van’ die nieuwbouwwoning. En daar ligt de sleutel van de oplossing in dit conflict.

Voor het antwoord op de vraag of het perceelgedeelte waarop dat tuinhuisje staat tot het achtererfgebied behoort, is het immers van belang of dit achtererfgebied kan worden aangemerkt als ‘erf’ (in de zin van artikel 1, eerste lid, bijlage II Bor). En dat is dus – als je kijkt naar de definitie van ‘erf’ – niet zo wanneer het bestemmingsplan de ‘inrichting (zoals een tuinhuisje) ten dienste van het gebruik’ van die woning verbiedt.

Creatief

Hoe je dat doet? Nou, je kunt voor de stroken grond waar je vergunningvrij bouwen wil weren, ervoor kiezen om een andere bestemming aan deze stroken grond toe te kennen. Op die manier kun je garanderen dat de gronden niet als erf in de zin van het Bor worden aangemerkt.

Maar je mag dit ook op een andere manier waarborgen. Wees creatief. De wet heeft nergens voorgeschreven hoe je dat doet.
In deze zaak kiest de gemeenteraad ervoor om de stroken grond waar vergunningvrij bouwen geweerd moest worden, dit met een bouwaanduiding (“specifieke bouwaanduiding uitgesloten – voor bewoning bedoelde bijbehorende bouwwerken”) te regelen. Op de gronden met deze bouwaanduiding, mogen bijbehorende bouwwerken niet worden gebouwd en in gebruik worden genomen voor bewoning. Daarmee kunnen deze gronden niet worden aangemerkt als ‘erf’ in de zin van artikel 1, eerste lid, van Bijlage II bij het Bor. Het betreffende perceelgedeelte kan, nu het geen erf betreft, evenmin als ‘achtererfgebied’ als bedoeld in die bepaling worden aangemerkt.

Concreet geval

Maar mag je zomaar vergunningvrij bouwen aan banden leggen? Nee, wel kan in een concreet geval, wanneer locatie-specifieke omstandigheden hiertoe aanleiding geven en dit strekt tot een goede ruimtelijke ordening, een planregeling worden opgenomen die vergunningvrij bouwen aan banden legt. Motiveer dit dan ook in de toelichting van het bestemmingsplan.

Zo was de inperking van vergunningvrij bouwen in deze zaak noodzakelijk in verband met locatie-specifieke omstandigheden. De raad wilde immers voorkomen dat de werkelijke afstand tussen de woningen en de perceelgrens van het bedrijf van appellante minder dan 10 meter wordt. Deze afstand geldt ter voorkoming van hinder door geluid, gevaar en licht en volgt uit de VNG-brochure.

Zowel een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als het voorkomen van beperkingen van de bedrijfsvoering van appellante rechtvaardigde daarom de gekozen planregeling om vergunningvrij bouwen te beperken.

Een klassiek conflict, creatief opgelost met een niet orthodoxe manier van bestemmen.

Bron: ABRvS 17 juni 2020, nr. 201909275/1/R3

Frank HabrakenVergunningvrij bouwen creatief ‘buitenspel’ zetten
Lees meer>>

Een vervangend besluit is een nuttig instrument in ons bestuursprocesrecht

Tijdens de beroepsprocedure over een weigering van een omgevingsvergunning neemt het college een vervangend besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
“Schande! Nu wordt de vergunning ineens om een hele andere reden geweigerd. Dit kan daarom geen vervangend besluit zijn. Hiermee wordt mij ook de bezwaarprocedure ontzegd. En dat is in strijd met de mensenrechten.” Aldus een verbolgen appellant.

Vervangend besluit

De Afdeling stelt echter vast dat het bestreden besluit door hetzelfde bestuursorgaan is genomen, op basis van dezelfde bevoegdheid, dezelfde feitelijke grondslag en dezelfde aanvraag. Er is daarom wel sprake van een vervangend besluit in de zin van artikel 6:19 Awb. En dit betekent dat het onderhavige beroep van rechtswege ook betrekking heeft op het vervangend (of gewijzigd) besluit.

Dit nieuwe besluit moet ook voldoende samenhang hebben met het ‘oude’ besluit die in de (bezwaar- of) beroepsfase al aanhangig was. Het kan gaan om een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het ‘oude’ besluit. Zo kan het college bij nader inzien van oordeel zijn dat de appellant/belanghebbende met zijn bezwaren gelijk heeft. Of dat gewijzigde omstandigheden of inzichten vragen om een vervangend besluit.

Met een vervangend besluit in de zin van artikel 6:19 Awb wordt ook verlies van rechtsbescherming voorkomen. De appellant hoeft immers niet afzonderlijk meer te ageren tegen dit nieuwe besluit. Ook wordt hiermee voorkomen dat hetzelfde geschil tegelijkertijd wordt behandeld door twee organen: door het bestuursorgaan en de rechter, of door de rechtbank en de hogerberoepsrechter.

Tip voor handhavingsjuristen

Aangezien het vervangend besluit in deze zaak tijdens de beroepsprocedure is genomen, wordt de bezwaarprocedure overgeslagen. En dit is echt niet in strijd met de mensenrechten in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). De bezwaarprocedure is immers geen procedure waar het in artikel 6 van het EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces op ziet.

De bezwaarprocedure is namelijk een vorm van verlengde besluitvorming door het bestuursorgaan en geen proces ten overstaan van een onafhankelijke rechter. Alleen al hierom is er dan ook geen sprake van schending van artikel 6 van het EVRM.

Overigens zal het niet vaak voorkomen dat in de bezwaarschriftenprocedure een vervangend besluit in de zin van artikel 6:19 Awb wordt genomen. Dit kan immers met het besluit op bezwaar zelf nietwaar? Artikel 7:11, lid 2 Awb luidt immers: ‘Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.’

Deze bepaling is zelfs speciaal hiervoor geschreven. Op deze wijze verkrijgen belanghebbenden zo snel en effectief mogelijk finale duidelijkheid over hun rechtspositie.

Toch kan het college een goede reden hebben om het primaire besluit voorafgaand aan het besluit op bezwaar te wijzigen. Denk eens aan een handhavingsbesluit. Wanneer het college een voorlopige voorzieningsprocedure wil voorkomen, dan kan het college ervoor kiezen om in een vervangend besluit in de zin van artikel 6:19 Awb de begunstigingstermijn van het primaire handhavingsbesluit (een bestuursdwang- of dwangsombeschikking) te verlengen. Dit geef ik nog even mee als tip voor handhavingsjuristen.

Al met al is het vervangend besluit een nuttig instrument in ons bestuursprocesrecht.

Bron: ABRvS 10 juni 2020, nr. 201903712/1/A1

Frank HabrakenEen vervangend besluit is een nuttig instrument in ons bestuursprocesrecht
Lees meer>>

Wanneer begint nu de verjaringstermijn van een aanvraag voor tegemoetkoming planschade?

Planschade geleden? Door een (onherroepelijk) bestemmingsplan? Dan krijg je van onze wetgever vijf jaar de tijd om een planschadeverzoek in te dienen. Dit is namelijk de verjaringstermijn die geregeld is in artikel 6.1, vierde lid van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

Over het algemeen tijd genoeg dus. Maar sommige mensen maken het wel heel spannend. Zoals in deze zaak.

Op 13 maart 2013 heeft de Afdeling bepaald dat het vaststellingsbesluit van de gemeenteraad weliswaar wordt vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestemmingsplan in stand blijven. Op die dag van de uitspraak wordt het plan dus onherroepelijk. En op 13 maart 2018 (!) dienen de appellanten planschadeverzoeken in. Of zoals je wil: aanvragen voor een tegemoetkoming in de planschade.

Gevolg: ellenlange discussies over de vraag op welke dag die verjaringstermijn nu is aangevangen!

B&W

B&W zijn van mening dat appellanten te lang hebben stilgezeten. De aanvraag voor de financiële compensatie is niet binnen de verjaringstermijn ingediend. “Die termijn begon immers op de dag van de uitspraak van de Afdeling (13 maart 2015) en daarom was 12 maart 2018 de laatste dag van die verjaringstermijn.” De aanvragen worden dus afgewezen.

Rechtbank

De rechtbank gaat mee met dit betoog van B&W. De rechtbank vindt dat je uit moet gaan van de letterlijke tekst van artikel 6.1, vierde lid Wro die luidt: “Een aanvraag voor een tegemoetkoming in schade ten gevolge van (voor zover hier van belang) een bepaling van een bestemmingsplan moet worden ingediend binnen vijf jaar na het moment waarop die oorzaak onherroepelijk is geworden.”
Argumenten: het legaliteitsbeginsel en de rechtszekerheid.“ Omdat 13 maart 2013 de eerste dag was van de wettelijke termijn voor het indienen van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade, was 12 maart 2018 de laatste dag van deze termijn. Dit betekent dat de aanvragen van appellanten buiten de wettelijke termijn zijn ingediend en dat deze aanvragen reeds daarom terecht zijn afgewezen.”

Afdeling

Maar onze hoogste bestuursrechter is het hier niet mee eens. De dag dat het bestemmingsplan onherroepelijk werd (13 maart 2015) was niet de eerste dag van de verjaringstermijn. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 6.1, vierde lid Wro (Kamerstukken II, 2002/03, 28 916, nr. 3, blz. 65) blijkt immers dat die termijn is gebaseerd op artikel 3:310 van het Burgerlijk Wetboek. De vijfjarige verjaringstermijn van dat artikel kan niet eerder een aanvang nemen dan op de dag na die waarop de schadevordering opeisbaar is geworden. Uit de wetsgeschiedenis valt ook niet af te leiden dat de wetgever bij planschade aan dat uitgangspunt heeft willen afdoen.

Wat betekent dit nu voor deze zaak? Nou, dat de verjaringstermijn voor het indienen van een aanvraag om een tegemoetkoming in de planschade door het nieuwe bestemmingsplan is aangevangen op 14 maart 2013. Een dag na de uitspraak van de Afdeling. De aanvragen van appellanten waren dus – weliswaar op de laatste dag van de verjaringstermijn – tijdig bij B&W ingediend.

Bron: ABRvS 18 maart 2020, 201905242/1/A2

Frank HabrakenWanneer begint nu de verjaringstermijn van een aanvraag voor tegemoetkoming planschade?
Lees meer>>

Wanneer het gebruiksrecht van een onherroepelijke bouwvergunning niet meer ‘houdbaar’ is

“Waarom krijg ik nou een agrarische bestemming met persoonsgebonden overgangsrecht om op mijn perceel te wonen? Onder het regime van de Woningwet heb ik in 1964 een bouwvergunning gekregen voor het bouwen van een woning. Die vergunning is natuurlijk allang onherroepelijk. Daarmee heb ik ook een gebruiksrecht om daar te wonen. En dus had de gemeenteraad voor mijn perceel een woonbestemming moeten opnemen!” Aldus een verongelijkte appellant.

Helaas, dit pleidooi kreeg geen gehoor bij onze hoogste bestuursrechter. Natuurlijk, met deze bouwvergunning voor een woning is ook het gebruik als zodanig vergund. En normaal gesproken heb je dan ook als vergunninghouder een hele sterke troef in handen. De rechtszekerheid is immers een groot goed.

Maar na 1964 zijn er door de gemeenteraad tot driemaal toe bestemmingsplannen Buitengebied vastgesteld, die dit vergunde gebruik helemaal niet hadden opgenomen.
Zo werd met de vaststelling van het huidige bestemmingsplan een woonbestemming in het landbouwontwikkelingsgebied nog als onwenselijk beschouwd.

In het nu bestreden vastgestelde bestemmingsplan krijgt het betrokken perceel opnieuw geen woonbestemming. Voor de vierde keer dus nu. Het perceel krijgt een agrarische bestemming met persoonsgebonden overgangsrecht voor wonen. Een woonbestemming zit er echter niet in.

Na inwerkingtreding van een nieuw (het huidige) planologisch regime waarin dit gebruik als wonen niet is opgenomen, komt immers bij de vaststelling van een daarop volgend planologisch regime in beginsel geen doorslaggevende betekenis meer toe aan de onherroepelijke bouwvergunning waaruit dat gebruiksrecht voortvloeide.

De oude bouwvergunning kan het beroepschrift van de appellant dus niet ‘redden’. Het gebruik van het gebouw als woning in de drie voorgaande bestemmingsplannen was al niet meer als zodanig was bestemd. En ‘viermaal is scheepsrecht’ kennen we immers niet.

Bron: ABRvS 18 maart 2020, nr. 201801850/5/R2

Frank HabrakenWanneer het gebruiksrecht van een onherroepelijke bouwvergunning niet meer ‘houdbaar’ is
Lees meer>>

Bepalen of een bouwwerk vergunningvrij is, is soms een kwestie van ‘afpellen’ en onze wetsgeschiedenis kennen

In ons ‘publieke domein’ staat de bescherming van de ruimtelijke kwaliteit nog hoog in het vaandel. Althans, deze bescherming wil onze wetgever zoveel mogelijk borgen met de zogenoemde ‘voor-achterkantbenadering’. Met het begrip ‘achtererfgebied’ in het Besluit omgevingsrecht is het de bedoeling dat aan de voorkant van gebouwen nauwelijks nog mag worden gebouwd zonder omgevingsvergunning. Maar goed, wat is nu het ‘achtererfgebied’?

Een kind

Ja, wat is nu een ‘achtererfgebied’? Dat is niet altijd makkelijk te zeggen. Natuurlijk vinden we in het Besluit omgevingsrecht een definitie, maar de crux zit ‘m in het toepassen van deze definitie in de praktijk. Ook roept de definitie zelf nog wel eens vragen op. Zo moet het achtererfgebied in elk geval ‘achter de lijn liggen die het hoofdgebouw op 1 meter achter de voorkant doorkruist.’

Vraag is dan bijvoorbeeld: wat is de ‘voorkant’? In de meeste gevallen kan een kind nog bedenken wat de voorkant is van een woning. Maar wat nu wanneer de woning een L-vorm heeft?

In deze handhavingszaak was dat de hamvraag. Een ‘buurman’ had een verzoek om handhaving ingediend tegen een (illegaal gebouwde?) schuur bij de woning van zijn buurman. B&W wijzen dit af. “Er is helemaal geen omgevingsvergunning nodig!” Aldus het college.

Bij de woning in kwestie verspringt de voorgevel van de woning. Er is sprake van een geveldeel met een lengte van ongeveer 6 meter en een terug gelegen geveldeel met een lengte van ongeveer 3 meter. Er ontstaat discussie welk geveldeel als de voorkant als bedoeld in de definitie ‘achtererfgebied’ moet worden aangemerkt.

Bezwaar en beroep worden ongegrond verklaard. De zaak belandt vervolgens aan de Kneuterdijk.

Afpellen

De Afdeling geeft aan dat het Besluit omgevingsrecht niets zegt over het begrip ‘voorkant’ in de definitie van ‘achtererfgebied’ in (artikel 1 van bijlage II van) het Besluit omgevingsrecht.

Onze hoogste bestuursrechter gaat daarom de zaak ‘afpellen’. Wanneer is er sprake van het ‘achtererfgebied’ (in de zin van het Besluit omgevingsrecht)? Wat is de voorgevel van de woning? Is dat niet duidelijk, dan kijk je eerst naar de ligging van de voorgevelrooilijn zoals die in het bestemmingsplan is aangegeven (artikel 1, eerste lid, bijlage II Besluit omgevingsrecht). Bestaat hier ook nog discussie over, dan is de feitelijke situatie doorslaggevend voor de vraag waar de voorgevel zit.

Het bestemmingsplan biedt voor de L-vormige woning echter geen duidelijkheid. De feitelijke situatie is dus bepalend. Zoals gezegd, verspringt in deze zaak de voorgevel van de woning en is er sprake van een geveldeel met een lengte van 6 meter en een terug gelegen geveldeel gelegen naast de schuur/berging met een lengte van 3 meter.

De Afdeling valt nu terug op de wetsgeschiedenis van het Besluit omgevingsrecht (Stb. 2014, 333, blz. 29). Hieruit blijkt dat de voorkant van het hoofdgebouw gevormd wordt door de gevel die bepalend is voor de hoofdmassa van het hoofdgebouw. Dat is in de regel de gevel met de grootste oppervlakte. En dat is in deze zaak het geveldeel met een lengte van 6 meter. Er is voor de Afdeling in dit geval geen aanleiding om van die hoofdregel af te wijken. Wanneer dit deel als de voorkant wordt aangemerkt, dan ligt de schuur in deze zaak helemaal in het achtererfgebied. Er is dus geen omgevingsvergunning nodig.

Bron: ABRvS 4 maart 2020, nr. 201903817/1/A1

Frank HabrakenBepalen of een bouwwerk vergunningvrij is, is soms een kwestie van ‘afpellen’ en onze wetsgeschiedenis kennen
Lees meer>>

Jurisprudentie over beoordeling belanghebbendheid aanvrager omgevingsvergunning ‘bouwen’ nu ook van toepassing op ‘gebruik’

Ben je aanvrager voor een omgevingsvergunning, dan ben je (in principe) direct belanghebbende. Maar wat nu wanneer een huurder van een bedrijfspand dat pand wil verbouwen? Of je buurman is een grappenmaker en dient een aanvraag in om in jouw tuin een grote schuur te bouwen?

Rotsvaste jurisprudentie had en heeft hier altijd een antwoord op. Tot nu toe hadden deze zaken allemaal betrekking op ‘bouwen’. Maar nu wordt deze standvastige koers van de Afdeling ook toegepast op het ‘wijzigen van het gebruik van gronden en bouwwerken’.

‘Standvastig’

Nou ja, ‘standvastig’. De koers is vanaf 2017 iets gewijzigd. Voorheen zag je in de rechtspraak dat de aanvrager van een omgevingsvergunning als belanghebbende wordt aangemerkt, tenzij aannemelijk is dat het bouwplan ‘nimmer’ kan worden verwezenlijkt.

Nimmer. Nooit dus. Dit had vaak tot gevolg dat de aanvrager toch als belanghebbende werd aangemerkt, ook al had de eigenaar geen toestemming gegeven voor het bouwplan. De Afdeling was destijds immers van mening dat die toestemming op enig moment toch wel zou kunnen komen, bijvoorbeeld na een civiele procedure. B&W moesten dus gewoon een besluit nemen op de aanvraag (zie bijvoorbeeld ABRvS 17 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:375).

Later heeft de Afdeling voor een lichtere variant gekozen. Nu moet het aannemelijk zijn dat het bouwplan ‘niet’ kan worden verwezenlijkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2002).

Wanneer de eigenaar van een bedrijfspand dus niet blij is met de bouwplannen van zijn huurder, dan kan hij snel een einde maken aan de vergunningprocedure door geen toestemming te geven. Dan is de huurder geen belanghebbende en kan zijn verzoek om een omgevingsvergunning niet worden aangemerkt als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Afdeling beoordeelt dus (wanneer daarover discussie bestaat natuurlijk) strenger of de aanvrager om een omgevingsvergunning het bouwplan kan realiseren.

Nieuw

Maar afgelopen week heeft de Afdeling bepaald dat deze vaste rechtspraak ook van toepassing is op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het ‘wijzigen van het gebruik van gronden en bouwwerken.’ Dat is nieuw. Maar het ligt wel (geheel) in lijn met de vaste rechtspraak over de omgevingsvergunningen voor ‘bouwen’.
In het geding was een aanvraag van Retailplan om een bedrijfspand te mogen gebruiken voor detailhandel. De bestemming was echter beperkt tot een ‘bouwmarkt’. Retailplan had daarom een omgevingsvergunning nodig om het bedrijfspand in afwijking van het bestemmingsplan te mogen gebruiken.

“Maar in het bedrijfspand zit een Praxis. Retailplan mag dan wel een toestemming van de eigenaar van het pand hebben voor het doen van een aanvraag, maar Praxis is helemaal niet van plan te verhuizen. Het aangevraagde gebruik voor detailhandel kan daarom niet worden verwezenlijkt!” Aldus B&W.
Maar de Afdeling gaat hier niet in mee. Eerst verklaart de Afdeling de eerdergenoemde rotsvaste jurisprudentie van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van gronden en bouwwerken. Weet U nog? Een aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op de door hem ingediende aanvraag. Dit is anders indien aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan ‘niet’ kan worden verwezenlijkt.
Weliswaar is er op dit moment ook een Praxis gevestigd, maar de eigenaar van het gebouw heeft ingestemd met het doen van de aanvraag. De Afdeling is daarom van mening dat zich hier niet de situatie voor doet dat een wijziging van het gebruik niet kan worden verwezenlijkt. RetailPlan is daarom belanghebbende bij haar aanvraag.

Bron: ABRvS 26 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:616

Frank HabrakenJurisprudentie over beoordeling belanghebbendheid aanvrager omgevingsvergunning ‘bouwen’ nu ook van toepassing op ‘gebruik’
Lees meer>>

Zonneklare overwegingen over beroepsgronden tegen een omgevingsvergunning voor een zonnepark

Nederland moet verduurzamen. Dit kan onder meer met onze zon. Zonnepanelen zien we steeds meer op daken, maar ook op agrarische gronden in het buitengebied. Ook wel zonneparken of zonneakkers genoemd.

Deze zonneparken gaan nog wel eens gepaard met bezwaar en beroep. Vaak tevergeefs. Zo ook in een zaak die zich afspeelde in de gemeente Brummen. In het geding is een omgevingsvergunning (‘grote afwijking’) voor een zonnepark met een oppervlakte van 36 hectare. Hiervoor heeft de gemeenteraad ook een verklaring van geen bedenkingen verleend.

Belanghebbenden

Voordat de rechtbank de inhoudelijke beroepsgronden behandelt, wordt er eerst gekeken of de appellanten (omwonenden) überhaupt wel belanghebbenden zijn. Dit blijkt niet bij iedereen het geval. Omwonenden die op een afstand verder dan (ruim) 600 meter wonen, kunnen van dit zonnepark geen (rechtstreeks) feitelijke gevolgen ondervinden. Geen belanghebbenden dus.

Maar goed, dat geldt dus niet voor iedere appellant. De beroepsgronden worden daarom ook (inhoudelijk) behandeld.

Keuze procedure

Zoals het hoort, geeft de rechtbank eerst netjes aan wat het toetsingskader van de bestreden omgevingsvergunning is, namelijk een ‘goede ruimtelijke ordening’ (artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo).

“Het zonnepark is gigantisch! Dat heeft grote gevolgen voor het landschap. Het college van de gemeente Brummen had daarom moeten kiezen voor een bestemmingsplan. En niet voor een omgevingsvergunning (om af te wijken)!” Aldus de boze appellanten.

De rechtbank vindt dit onzin (vrije vertaling). In artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3 Wabo staat immers niet dat deze omgevingsvergunning alleen mag worden verleend voor ontwikkelingen met geringe planologische gevolgen. Wanneer een ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan, mag een initiatiefnemer daarom kiezen tussen een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning. Welke keuze de initiatiefnemer dan maakt, hebben burgemeester en wethouders te respecteren. Er moet dan gewoon een besluit komen op de aanvraag.

Inhoudelijk is er immers geen verschil tussen die twee besluiten. Allebei kennen ze hetzelfde toetsingskader: een ‘goede ruimtelijke ordening’. En ook voor de omgevingsvergunning geldt de verplichting tot het opstellen van een goede ruimtelijke onderbouwing (artikel 5:20 Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening). Voor een bestemmingsplan hoef je daarom niet meer onderzoek te doen dan bij het verlenen van deze omgevingsvergunning.

Er is overigens nog een derde optie: een gemeentelijke coördinatieregeling (artikel 3.30 – 3.32 Wet ruimtelijke ordening). Een overzichtelijke procedure die voor alle partijen duidelijkheid en tijdswinst kan opleveren.

Welk besluit je ook kiest, vergeet niet dat voor zonneparken de Crisis- en herstelwet (Chw) van toepassing is. Dit betekent dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer mogen worden aangevoerd. En de bestuursrechter doet binnen zes maanden na afloop van de beroepstermijn uitspraak (artikel 1.6a en artikel 1.6, lid 4 Chw).

Draagvlak

Terug naar de uitspraak. Een van de andere beroepsgronden is dat er – volgens het gemeentelijk en provinciaal duurzaamheidsbeleid – voor het zonnepark voldoende maatschappelijk draagvlak aanwezig moet zijn. Dit draagvlak is er kennelijk niet bij de omwonenden. Er is niet voor niets beroep aangetekend.

Maar de rechtbank wijst appellanten erop dat er geen enkel wettelijk voorschrift bestaat die voorschrijft dat een project alleen vergund kan worden als daarvoor draagvlak bestaat.
Ook het gemeentelijk of provinciaal beleid vraagt dit niet. Het beleid vraagt aan initiatiefnemers alleen te komen met uitgewerkte initiatieven die draagvlak hebben in de buurt, wijk of dorp. Wanneer er geen draagvlak is bij (een deel van) de omwonenden, dan betekent dat nog niet dat het project niet doorgaat.

Ook wordt het draagvlak breder getrokken tot wijk- en dorpsniveau. Niet alleen de buurt. Bovendien, het feit dat de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, zegt wel iets over het draagvlak in bredere zin.

Verder blijkt uit het participatieverslag dat omwonenden echt wel betrokken zijn bij de ontwikkeling en dat er naar aanleiding van deze participatie aanpassingen aan het zonnepark hebben plaatsgevonden (lagere zonnepanelen).

Overigens, wanneer het gemeentelijk beleid van een initiatiefnemer een inspanning vraagt die is gericht op het verwerven of vergroten van draagvlak en de initiatiefnemer verzuimt dit, dan mag een college wel weigeren om mee te werken aan zo’n zonnepark (ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4209, r.o. 23.2). Maar dat was in deze zaak niet aan de orde.

De bestreden omgevingsvergunning is daarom niet in strijd met het beleid verleend. Vervolgens is het een kwestie van belangen afwegen (van omwonenden ten opzichte van de algemene belangen). Hierbij spelen ook de volgende feiten een rol: het zonnepark ligt op een afstand van minimaal 100 meter van de woningen, het zonnepark heeft een maximale hoogte van 1,5 meter en het zonnepark wordt netjes landschappelijk ingepast. Daarmee wordt de aantasting van het woon- en leefklimaat zoveel mogelijk beperkt. De rechtbank kan zich daarom vinden in de belangenafweging.

Beleid voor zonneparken

“Maar voor zonneparken is er géén specifiek beleid in deze gemeente. Dan is het besluit toch niet zorgvuldig?”

De rechtbank is snel klaar met deze beroepsgrond. In de Wabo, het Besluit omgevingsrecht en het Besluit ruimtelijke ordening staan regels over hoe deze omgevingsvergunning tot stand komt en waar de inhoud aan moet voldoen. In die regels staat nergens dat je die omgevingsvergunning (om af te wijken van het bestemmingsplan) pas mag verlenen nadat je integraal gemeentelijk beleid of een visie hebt opgesteld. Dat is ook niet noodzakelijk wanneer je de aanleg van een zonnepark met een omgevingsvergunning planologisch mogelijk maakt.

Bron: rechtbank Gelderland, 6 februari 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:692

Frank HabrakenZonneklare overwegingen over beroepsgronden tegen een omgevingsvergunning voor een zonnepark
Lees meer>>

Het leveren van elektriciteit en de bescherming van ons bosareaal door de Wet natuurbescherming gaat prima samen

Gevaar voor mens en dier op elektrocutie. Of het ontstaan van natuurbranden. Dit kan er allemaal gebeuren wanneer bomen of hoogopgaande beplanting een hoogspanningsverbinding te dicht naderen. Elektriciteit kan namelijk via deze beplanting een weg naar de aarde zoeken.

Tennet, de beheerder van het landelijke hoogspanningsnet verwijdert daarom de hoogopgaande beplanting onder en in de directe nabijheid van bovengrondse hoogspanningsverbindingen.

Herplantplicht

Maar Tennet stuitte in deze zaak tegen de herplantplicht van de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze wet voorziet namelijk in een herplantplicht (artikel 4.1 Wnb) wanneer houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld. Op deze manier borgt de wet dat ons bosareaal in stand wordt gehouden en dat elke verdwenen houtopstand in principe binnen drie jaren op dezelfde grond wordt herplant. Op deze manier neemt de oppervlakte bos niet af.

Overigens geldt deze herplantplicht niet voor (bijvoorbeeld) houtopstanden binnen de bebouwde kom of houtopstand in tuinen en kerstbomen natuurlijk. Enfin, in artikel 4.6 Wnb staan een aantal uitzonderingen genoemd.

Maar de houtopstand onder de bovengrondse hoogspanningsverbindingen vallen wel onder die herplantplicht. Voor een aantal percelen had Tennet daarom aan het college van Gedeputeerde Staten van Overijssel een ontheffing van deze herplantplicht gevraagd. Dit verzoek werd echter door dit college afgewezen.

Tennet is het oneens met de herplantplicht die geldt onder de hoogspanningsverbindingen. “De Wnb beschermt ons bosareaal met een herplantplicht op het moment dat het bosareaal wordt ingeperkt. Wanneer wij een nieuwe hoogspanningsverbinding bouwen en daardoor bosareaal verdwijnt, wordt op een andere plek herplant. Op die manier vermindert het totale bosareaal ook niet. De gevelde strook onder de bestaande hoogspanningsverbindingen maakt daarom geen onderdeel meer uit van het bosareaal in Nederland.
Het belang van de bescherming van het bosareaal kan het belang van de landelijke elektriciteitsvoorziening niet opzij zetten. Dit belang is immers gewaarborgd in de Elektriciteitswet 1998. Actief beplanting aanbrengen onder de hoogspanningsverbindingen is gevaarlijk voor mens, dier en natuur. Dit is ook niet te verenigen met het belang van de leveringszekerheid!” Aldus Tennet.

Beschermingsbereik Wnb

De Raad van State gaat echter niet mee in dat betoog. Uit de wetsgeschiedenis van de Wnb (Kamerstukken II 2011/12, 33 348, nr. 3, p. 190-192) volgt dat alle houtopstanden samen het bosareaal vormen.
Dit geldt ook voor houtopstand die (al dan niet natuurlijk) is ontstaan op een perceel waarvan de houtopstand eerder is geveld en elders is herplant. Alle houtopstanden vallen daarom onder het beschermingsbereik van de Wnb, met uitzondering van de houtopstanden genoemd in artikel 4.1 Wnb. Maar de houtopstanden onder hoogspanningsverbindingen vallen niet onder die uitzonderingen.

Bovendien hoeven de belangen van bescherming van het bosareaal en de leveringszekerheid elkaar niet in de weg te staan. Tennet hanteert immers ook veiligheidseisen, waardoor ook onder de hoogspanningsverbindingen laagblijvende begroeiing tot maximaal 1,75 m hoog mogelijk is. Laagblijvende begroeiing en begroeiing die door beheer laag wordt gehouden zijn eveneens houtopstanden.

Kortom, de herplantplicht geldt ook voor de gronden onder de hoogspanningsverbindingen. Het leveren van elektriciteit en de bescherming van ons bosareaal gaat dus prima samen.

Bron: ABRvS 5 februari 2020, nr. 201903430/1/A3

Frank HabrakenHet leveren van elektriciteit en de bescherming van ons bosareaal door de Wet natuurbescherming gaat prima samen
Lees meer>>

Een gebruiksverbod in een bestemmingsplan voor mensen buiten een woondoelgroep kan natuurlijk niet

In het geding is een bestemmingsplan voor starterswoningen. Alleen is het niet de bedoeling dat iedere starter hier mag wonen. Alleen jongeren en starters (één- en tweepersoonshuishoudens) uit het dorp zelf (!).

Omwonenden zien echter dat niet in de planregels is geborgd dat uitsluitend jongeren en starters uit het dorp in de nieuwe woningen mogen wonen. Ook zijn de omwonenden bang voor geluidsoverlast wanneer er gezinnen met kinderen in de woningen gaan wonen.

De Afdeling maakt korte metten met dit betoog. Een bestemmingsplan mag natuurlijk geen verbod op het gebruik van de woningen bevatten door personen buiten de ‘woondoelgroep’. Zo’n onderscheid is niet alleen discriminerend (persoonlijk toevoeging), maar is volgens de Afdeling ook niet ruimtelijk relevant. Het opnemen van zo’n ‘herkomstbepaling’ in de planregels zou daarom ook niet ruimtelijk relevant zijn.

Bron: ABRvS, 8 januari 2020, nr. 201902339/1/R1. Ook al eerder bepaald in ABRvS 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:248 en ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:705.

Frank HabrakenEen gebruiksverbod in een bestemmingsplan voor mensen buiten een woondoelgroep kan natuurlijk niet
Lees meer>>